Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2386

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
13-09-2002
Zaaknummer
R01/016HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 447
NJ 2003, 226
JWB 2002/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 september 2002

Eerste Kamer

Nr. R01/016HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende [te woonplaats], Nederlandse Antillen,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek,

t e g e n

[Verweerder], wonende [te woonplaats], Nederlandse Antillen,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 5 november 1993 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, ingekomen verzoekschrift hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2], hierna te noemen: [betrokkene 1] c.s., voor zich en in hun hoedanigheid van ouders van de op [geboortedatum] 1976 geboren [verweerder], zijnde thans verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - in een procedure tegen thans eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - en [betrokkene 3] en [betrokkene 4], - tezamen verder te noemen: [betrokkene 3] c.s. - zich gewend tot dat Gerecht en verzocht bij vonnis, voor zover in cassatie van belang:

1. te verklaren voor recht dat [betrokkene 3] c.s. aansprakelijk zijn voor de door [betrokkene 4] veroorzaakte schade; en

2. [betrokkene 3] c.s. te veroordelen tot vergoeding van die schade.

Bij eindvonnis van 15 februari 2000 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg, voor zover thans van belang, [eiseres] en [betrokkene 4] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van US$ 75.000,--, althans de tegenwaarde daarvan in Nederlands Antilliaans courant, en voor recht verklaard dat [eiseres] en [betrokkene 4] aansprakelijk zijn voor alle reeds door [betrokkene 1] - de Hoge Raad leest: [verweerder] - geleden en door deze nog te lijden schade ten gevolge van het zwaar lichamelijk letsel toegebracht door [betrokkene 4] op 23 juni 1993.

Tegen dit eindvonnis hebben [betrokkene 3] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. [Betrokkene 1] c.s. en [verweerder] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij vonnis van 27 oktober 2000 heeft het Hof in het principaal appel verstaan dat door [betrokkene 3] c.s. geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis, voor zover gewezen tussen [betrokkene 3] c.s. en [verweerder], en het vonnis waarvan beroep bevestigd. In het incidenteel appel heeft het Hof [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn incidenteel hoger beroep en het vonnis waarvan beroep bevestigd.

Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.

[Eiseres] heeft de zaak namens haar advocaat doen toelichten door mr. E.T. de Boer, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om een door [betrokkene 1] c.s., voor zich en in hun hoedanigheid van ouders van de op [geboortedatum] 1976 geboren [verweerder], tegen [betrokkene 3] c.s. ingestelde vordering, die strekt, samengevat weergegeven en voor zover in cassatie van belang, tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een schietincident op 28 juni 1993, waarbij [verweerder] door de toen bijna 21-jarige [betrokkene 4] - de zoon van [eiseres] en de stiefzoon van [betrokkene 3] - in de buik is geschoten en ernstig gewond is geraakt.

Na een aantal tussenvonnissen heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij eindvonnis van 15 februari 2000 [betrokkene 4] en [eiseres] veroordeeld tot betaling van US$ 75.000,-- aan [verweerder], die inmiddels meerderjarig was geworden, en voor recht verklaard dat zij aansprakelijk zijn voor de door [verweerder] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het schietincident. Het Gerecht heeft de vordering van [betrokkene 1] c.s. tegen [betrokkene 3] c.s., zowel voor zover zij de vordering voor zichzelf als voor zover zij deze in hun voormelde hoedanigheid hadden ingesteld, alsmede de vordering van [verweerder] tegen [betrokkene 3] afgewezen.

3.2 [Betrokkene 3] c.s. zijn bij een op 13 maart 2000 ter griffie van het Gerecht ingediende akte van hoger beroep in appel gekomen van het eindvonnis. In deze akte zijn slechts [betrokkene 1] c.s. als "eisers, thans geïntimeerden" vermeld en niet tevens [verweerder]. Bij een op 5 april 2000 ter griffie ingekomen memorie van grieven heeft slechts [eiseres] acht grieven tegen het eindvonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis, voor zover gewezen tussen haar en [verweerder], zal vernietigen. [Betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben geen memorie van grieven ingediend.

[Betrokkene 1] c.s. en [verweerder] hebben bij memorie van antwoord, die ter griffie van het Gerecht is ingediend op 15 mei 2000, aangevoerd dat [betrokkene 3] c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep, aangezien dit tegen [verweerder] had moeten zijn gericht. Voorts hebben zij de grieven bestreden en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, behoudens voor zover het betreft de hoogte van de schadevergoeding. Zij hebben bij een eveneens op 15 mei 2000 bij het Gerecht ingediend processtuk incidenteel appel ingesteld tegen het eindvonnis. Zij hebben twee grieven tegen het eindvonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover het betreft het als schadevergoeding toegewezen bedrag en [eiseres] en [betrokkene 4] zal veroordelen tot betaling van een door het Hof in redelijkheid en billijkheid vast te stellen hoger bedrag. [Eiseres] heeft een incidentele memorie van antwoord ingediend.

De pleitnota van de advocaat van [betrokkene 3] c.s. vermeldt dat het gaat om de zaak van [eiseres] als appellante tegen [verweerder] als geïntimeerde.

3.3 Het Hof heeft in het principale appel het vonnis - waarmee het Hof kennelijk doelt op het vonnis voor zover gewezen tussen [betrokkene 3] c.s. enerzijds en [betrokkene 1] c.s anderzijds - bevestigd. Het heeft het betoog van [eiseres] dat door een administratieve fout de naam van [verweerder] niet in de akte van appel was vermeld, maar dat dit verzuim niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], verworpen. Het Hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat "door appellanten geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis voor zover gewezen tussen appellanten en [verweerder]" (rov. 4.4 - 4.6). In het dictum van zijn vonnis heeft het Hof dienovereenkomstig beslist.

3.4 Indien het Hof zijn hiervoor weergegeven oordeel en beslissing hierop zou hebben gegrond dat de vermelding in de akte van appel beslissend is voor het antwoord op de vraag wie als geïntimeerden moeten worden aangemerkt, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het hier toepasselijke art. 270, eerste lid, RvNA vangt het hoger beroep aan met een verklaring dat men van dat middel gebruik wil maken, door de eiser in beroep of diens gemachtigde afgelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg of aldaar schriftelijk ingediend. Dit artikel noch enige andere bepaling stelt nadere eisen aan de inhoud van deze verklaring; met name is niet bepaald dat de verklaring moet vermelden tegen wie het hoger beroep is gericht. In aanmerking genomen dat het Antilliaanse burgerlijk procesrecht niet het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging kent, brengt ook de strekking van voormelde bepaling mee dat zodanige eis niet kan worden gesteld, maar dat de rechter in hoger beroep mede in het licht van hetgeen in de memorie van grieven is aangevoerd en rekening houdende met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij(en), ambtshalve de omvang van het hoger beroep, ook wat betreft de vraag tegen wie het is gericht, dient te beoordelen. Bij deze beoordeling dient uitgangspunt te zijn dat slechts mag worden aangenomen dat de appellant de omvang van het hoger beroep heeft willen beperken, als dit ondubbelzinnig uit de verklaring blijkt.

Zou het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting zijn uitgegaan, dan is zijn oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, in het bijzonder in het licht van de omstandigheden dat in eerste aanleg uitsluitend de vordering van [verweerder] was toegewezen en die van zijn ouders was afgewezen, dat, naar het Hof niet onjuist heeft bevonden, sprake was van een administratief verzuim dat bij memorie van grieven is hersteld, dat de akte van appel en de memorie van grieven tegelijkertijd zijn betekend aan de advocaat die in eerste aanleg zowel voor [verweerder] als voor zijn ouders is opgetreden, alsmede dat [betrokkene 1] c.s. en [verweerder] niet hebben aangevoerd dat zij door voormeld verzuim in hun verdediging zijn geschaad.

Het middel, dat hierover klaagt, treft derhalve doel.

3.5 In rov. 5.2 van zijn vonnis heeft het Hof, enkel op grond van zijn zienswijze dat [verweerder] geen partij is in het principale appel, geoordeeld dat hij niet-ontvankelijk is in zijn incidentele appel. Zou het Hof na verwijzing tot het oordeel komen dat [betrokkene 3] c.s. ontvankelijk zijn in hun hoger beroep voor zover het is gericht tegen [verweerder], dan is derhalve de grondslag ontvallen aan 's Hofs beslissing dat [verweerder] niet-ontvankelijk is in zijn incidentele hoger beroep. Mede gelet op de omstandigheid dat [verweerder] erop mocht vertrouwen dat, ingeval het Hof de door [betrokkene 3] c.s. in het tegen hem ingestelde hoger beroep aangevoerde grieven zou beoordelen, zijn bezwaren tegen het vonnis ook zonder zelfstandig appel zijnerzijds aan de orde zouden komen, brengen in een geval als het onderhavige de eisen van een behoorlijke rechtspleging mee dat het Hof alsnog het incidentele hoger beroep van [verweerder] onderzoekt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 27 oktober 2000;

verwijst het geding naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 283,61 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 september 2002.