Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2383

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
R00/155HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2383
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 380
JWB 2002/252

Uitspraak

28 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. R00/155HR

WS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de vennootschap naar Antilliaans recht VAN DER VALK PLAZA (CURAÇAO) N.V., gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk,

t e g e n

de openbare rechtspersoon HET EILANDGEBIED CURAÇAO, gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 9 mei 1997 gedateerd verzoekschrift hebben eiseres tot cassatie - verder te noemen: Van der Valk Curaçao dan wel Van der Valk - en de vennootschap naar Nederlands recht Van der Valk Nederland B.V., gevestigd in Nederland, hierna: Van der Valk Nederland, zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, en - na wijziging van eis bij conclusie van repliek - gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. verweerder in cassatie - verder te noemen: het Eilandgebied - te bevelen binnen veertien dagen, althans binnen een door het Gerecht in goede justitie te bepalen termijn, na betekening van dit vonnis een aanvang te maken met de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de met Van der Valk Curaçao gesloten overeenkomst van 21 maart 1995, meer in het bijzonder een aanvang te maken met de uitvoering van de werkzaamheden als aangeduid in art. 2 lid 2c. tot en met g. van deze overeenkomst en nader omschreven en aangevuld in de artikelen 5, 6, 7 en 8 van deze overeenkomst, en binnen een jaar na betekening van dit vonnis, althans binnen een door het Gerecht in goede justitie te bepalen termijn, de voormelde werkzaamheden te hebben voltooid, op straffe van een dwangsom van NAƒ 10.000,-- voor elke dag dat het Eilandgebied in gebreke blijft met de aanvang van de uitvoering respectievelijke de voltooiing van de voormelde werkzaamheden, en

2. primair: het Eilandgebied te veroordelen om aan Van der Valk Curaçao te voldoen een bedrag van NAf 39.560.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 maart 1997;

subsidiair: het Eilandgebied te veroordelen om aan Van der Valk Curaçao te betalen een bedrag van NAf 15.471.718,-- en voorts aan haar te betalen de overige door haar geleden en te lijden schade, doordat de aanleg van het Marichistrand geen doorgang heeft gevonden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 maart 1997;

meer subsidiair: het Eilandgebied te veroordelen om aan Van der Valk Curaçao te betalen de schade, die zij heeft geleden en zal lijden door de vertraging in de nakoming door het Eilandgebied van diens verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van 21 maart 1995 zoals omschreven in punt 1 van dit petitum, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 maart 1997.

Het Eilandgebied heeft zich verzet tegen de wijziging van eis voorzover het betreft de nakoming van de overeenkomst van 21 maart 1997.

Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij rolbeschikking van 16 november 1998 het verzet tegen de wijziging van eis ongegrond verklaard en de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.

Het Eilandgebied heeft de vorderingen bestreden.

Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij vonnis van 3 mei 1999 Van der Valk Nederland niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard, het Eilandgebied veroordeeld binnen zes weken na betekening van dit vonnis ten behoeve van Van der Valk Curaçao een aanvang te maken met de uitvoering van zijn verplichtingen 2d, 2e en 2f van de overeenkomst van 21 maart 1995 en de werkzaamheden binnen een jaar na aanvang te voltooien, een en ander op straffe van een dwangsom van NAf 10.000,-- per dag, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben zowel Van der Valk Curaçao en Van der Valk Nederland als het Eilandgebied hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

Bij akte ter zitting van 11 april 2000 heeft Van der Valk Curaçao haar eis gewijzigd, haar vordering onder 2 subsidiair ingetrokken en de onder 2 opgenomen meer subsidiaire vordering hernoemd tot haar derde vordering.

Nadat het Eilandgebied zich tegen deze wijziging van eis had verzet, heeft het Hof bij vonnis van 9 mei 2000 het Eilandgebied niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet en de zaak naar de terechtzitting verwezen voor pleidooi.

Bij gelegenheid van pleidooi heeft Van der Valk Nederland haar hoger beroep ingetrokken.

Bij vonnis van 28 augustus 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en de vorderingen afgewezen.

Het vonnis van het Hof van 28 augustus 2000 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstvermeld vonnis van het Hof heeft Van der Valk Curaçao beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Eilandgebied heeft geen verweerschrift ingediend.

Van der Valk Curaçao heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door haar advocaat en mede door mr. M.E.M.G. Peletier, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugverwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof, met veroordeling van het Eilandgebied in de kosten.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Tussen Holding Company Curaçao N.V., een door het Eilandgebied Curaçao gecontroleerde vennootschap, als verkoper en Van der Valk Nederland als koper is op 18 augustus 1989 een koopovereenkomst gesloten ten aanzien van het Curaçao Plaza Hotel (hierna: het hotel). In deze overeenkomst is aan Van der Valk Nederland om niet een "right of first refusal" toegekend om het terrein, bekend als Marichi, in erfpacht te verkrijgen, met het recht daarop een toeristisch hotelcomplex te bouwen en te exploiteren.

(ii) Mede in verband hiermee garandeerde de verkoper dat het Eilandgebied, mits aan een aantal in die overeenkomst gepreciseerde technische en financiële voorwaarden zou worden voldaan, financiële steun zou aanvragen bij het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken (hierna: KABNA) voor de aanleg van een openbaar strand in de onmiddellijke omgeving van het hotel (hierna: Marichistrand).

(iii) De aanleg van het Marichistrand is niet doorgegaan. In verband daarmee is op 16 augustus 1994 een tweede overeenkomst gesloten tussen Van der Valk Nederland en Van der Valk Curaçao (hierna: Van der Valk) enerzijds en het Eilandgebied anderzijds. In de considerans van deze overeenkomst wordt gesteld:

"dat het eilandgebied de wens te kennen heeft gegeven vooralsnog te willen afzien van het Marichi project;

dat in verband hiermee het eilandgebied (...) te kennen heeft gegeven één of meerdere alternatieven op bedoeld Marichi project te willen aanbieden;

dat Van der Valk bereid is te trachten om met het eilandgebied een minnelijke regeling na te streven en in verband daarmee een aangeboden alternatief c.q. alternatieven in plaats van het Marichiproject zal aanhoren en in overweging nemen;"

(iv) Krachtens deze tweede overeenkomst hebben partijen een accountant benoemd die als opdracht kreeg de schade te becijferen welke voor Van der Valk voortvloeide uit het feit dat het Marichiproject (voorlopig) niet doorging. In zijn op 5 september 1994 gedateerde rapport heeft de accountant deze schade begroot op NAf 39.560.000,--, onder aantekening dat de hoogte van dit bedrag door het Eilandgebied werd betwist. Voorts hebben partijen een commissie benoemd met als taak een alternatief of alternatieven, als onder (iii) bedoeld, te vinden met een waarde die ten minste gelijk zou zijn aan de vorenbedoelde schade van Van der Valk.

(v) Deze commissie is in haar taak geslaagd. Het door haar gevonden alternatief wordt in de stukken aangeduid als het Cornelisbaaiproject. Op 21 maart 1995 is op voet daarvan tussen het Eilandgebied en Van der Valk een derde overeenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Art. 2 lid 1 van deze overeenkomst luidt:

"Van der Valk doet hierbij afstand van haar recht schadevergoeding en/of nakoming van het Eiland-gebied te vorderen terzake van de door het Eilandgebied gewenste niet-realisering van het Marichi-strand project, onder de voorwaarde dat het Eilandgebied hierbij een pakket verplichtingen op zich neemt jegens Van der Valk (...) en onder de voorwaarde dat het Eilandgebied deze verplichtingen (...) tijdig nakomt. Bij volledige nakoming door het eilandgebied van het aangeboden alternatief zoals verwoord in deze overeenkomst, verleent Van der Valk volledige en onvoorwaardelijke kwijting aan het eilandgebied. "

In art. 2 lid 2 is onder a-g een aantal verplichtingen voor het Eilandgebied opgesomd, inhoudende onder andere het leveren van een terrein (hierna: het Cornelisbaaiterrein) bestemd voor de ontwikkeling van toeristische projecten, het aanleggen van een weg ter ontsluiting van dat terrein en de aanleg van de zogenaamde Cornelispier en de zogeheten Marichipier, de daarbij behorende breakwaters en het strand. Aan deze op het Eilandgebied rustende verplichtingen zijn strakke termijnen gesteld in de artikelen 3 tot en met 8.

Krachtens art. 3 lid 4 had Van der Valk het recht op het Cornelisbaaiterrein toeristische projecten te ontwikkelen, waarmee zij binnen twee jaar zou beginnen (het begintijdstip van deze termijn werd niet gepreciseerd) met dien verstande dat, als Van der Valk binnen zes maanden na ingebrekestelling daarmee niet zou zijn gestart, het terrein wederom aan het Eilandgebied (om niet) zou moeten worden overgedragen.

(vi) Art. 11 ("niet-nakoming c.q. niet-tijdige nakoming") van de overeenkomst van 21 maart 1995 luidt:

"Indien een der partijen tot deze overeenkomst niet danwel niet-tijdig voldoet aan een of meerdere van zijn/haar verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst, en een der partijen niet binnen acht (8) dagen na een ingebreke stelling zijdens de ander partij alsnog tijdig en volledig aan al zijn verplichtingen voldoet, herleven van rechtswege voor Van der Valk, indien en voor zover Van der Valk de ingebreke stellende partij is, al haar rechten op de schadevergoeding vanwege niet realisering van het Marichi-strand project, doch blijft overigens deze overeenkomst in stand en zal het Van der Valk vrij staan het uit hoofde van deze overeenkomst reeds verworvene geheel of gedeeltelijk te gelde te maken en/of anderszins aan te wenden op een door Van der Valk te kiezen wijze, onverminderd het recht van beider partijen op verdere schadevergoeding. Indien Van der Valk de reeds verworven gedeelten van deze overeenkomst geheel of gedeeltelijk te gelde maakt zal dit telkens geschieden tegen gangbare marktprijzen en zullen de netto-opbrengsten daarvan in mindering worden gebracht op de eventueel in te stellen schadevergoedingsclaim versus het eilandgebied."

(vii) Bij brief van 14 maart 1997 heeft Van der Valk het Eilandgebied in gebreke gesteld ter zake van de oplevering van het Cornelisbaaiterrein, het nieuwe wegtracé en de aanleg van zowel de Cornelispier als de Marichipier.

(viii) Bij brief van 2 juni 1999 heeft het Eilandgebied Van der Valk in gebreke gesteld ter zake van de uitvoering van de toeristische projecten op het Cornelisbaaiterrein.

3.2.1 Van der Valk heeft, na herhaalde wijziging van eis, samengevat, gevorderd dat het Eilandgebied zal worden veroordeeld tot (a) nakoming van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst van 21 maart 1995, (b) betaling van NAf 39.560.000,--, en (c) betaling van vertragingsschade als gevolg van de niet tijdige nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 21 maart 1995, op te maken bij staat.

3.2.2 Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft, voor zover in cassatie van belang, het Eilandgebied veroordeeld om binnen zes weken na betekening van zijn vonnis een aanvang te maken met de uitvoering van zijn verplichtingen, neergelegd in de artikelen 2d, 2e en 2f van de vaststellingsovereenkomst, en deze werkzaamheden binnen een jaar na aanvang te voltooien, een en ander op straffe van een dwangsom. Het meer of anders gevorderde heeft het Gerecht afgewezen.

3.2.3 Het Hof heeft in hoger beroep de vorderingen van Van der Valk integraal afgewezen. Het heeft vooropgesteld, "al was het maar omdat het zo'n belangrijk discussiepunt is geweest in deze procedure", dat het Eilandgebied niet heeft erkend wanprestatie te hebben gepleegd ter zake van het Marichiproject en dat zijn uitlatingen en gedragingen redelijkerwijs niet in die zin konden zijn opgevat door Van der Valk (rov. 4.2). Vervolgens heeft het Hof - samengevat - als volgt overwogen. Ook het door Van der Valk gestelde bedrag van de schade (NAf 39.560.000,--) is door het Eilandgebied niet erkend (rov. 4.4). Het Cornelisbaaiproject schijnt klaar of bijna klaar te zijn, maar niet binnen de gestelde termijnen. De vraag is of de overschrijding aan het Eilandgebied kan worden toegerekend en, zo ja, of de tekortkoming zodanig is dat deze de toepassing van art. 11 van de vaststellingsovereenkomst rechtvaardigt of dat er anderszins recht bestaat op vergoeding van vertragingsschade (rov. 4.8). De termijnoverschrijdingen, voor zover in de ingebrekestelling gesteld, kunnen, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, niet aan het Eilandgebied worden toegerekend (rov. 4.16).

Tegen dit vonnis heeft Van der Valk vijf middelen, elk verdeeld in verschillende onderdelen, gericht.

3.3.1 Onderdeel 1a klaagt, samengevat, dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de vordering van Van der Valk het Eilandgebied te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst van 21 maart 1995, althans die vordering onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

Het onderdeel behoeft bij gebrek aan belang geen bespreking, omdat de klachten, gericht tegen het oordeel van het Hof over het door het Eilandgebied ingeroepen opschortingsrecht slagen en de vordering na de vernietiging van het vonnis op die grond en verwijzing alsnog aan de orde zal komen. Onderdeel 1c behoeft om dezelfde reden geen bespreking.

3.3.2 Onderdeel 1b richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het Hof in rov. 4.8 dat het Cornelisbaaiproject, gelet op de stellingen van beide partijen bij pleidooi in hoger beroep, klaar of bijna klaar is.

Naar het onderdeel met juistheid aanvoert, heeft Van der Valk bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat het Eilandgebied met de aanleg van het Cornelisbaaistrand in het geheel nog geen aanvang heeft gemaakt, dat ook de aanleg van de nodige infrastructuur op dat terrein nog niet heeft plaatsgevonden en dat Van der Valk heeft betwist dat het Eilandgebied de nodige leidingen voor water en electriciteit naar het terrein heeft aangelegd. Het oordeel van het Hof is derhalve onbegrijpelijk. Het onderdeel slaagt.

3.4.1 In rov. 4.5 heeft het Hof geoordeeld dat Van der Valk aan art. 11 van de vaststellingsovereenkomst (zie hiervoor in 3.1 onder (vi)) wat betreft de herleving van de rechten van Van der Valk op schadevergoeding vanwege niet-realisering van het Marichistrandproject pas rechten kan ontlenen als wordt vastgesteld dat het Eilandgebied wanprestatie heeft gepleegd ten aanzien van (i) de vaststellingsovereenkomst en (ii) het Marichistrandproject. In dat geval, aldus het Hof, dient de hoogte van de schade wegens het niet doorgaan van laatstgenoemd project door de rechter te worden vastgesteld omdat het Eilandgebied niet heeft ingestemd met het door de accountant berekende schadebedrag van NAf 39.560.000,-- (zie hiervoor in 3.1 onder iv).

3.4.2 De onderdelen 2a en 2b zijn gericht tegen rov. 4.5 voor het geval daarin moet worden gelezen dat deze oordelen mede betrekking hebben op de vordering van Van der Valk tot veroordeling van het Eilandgebied om aan haar de schade te vergoeden die zij heeft geleden als gevolg van de niet-tijdige nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

De onderdelen kunnen wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden omdat in rov. 4.5 uitsluitend een oordeel wordt gegeven over de door Van der Valk gevorderde schadevergoeding ter zake van het niet doorgaan van de aanleg van het Marichistrand.

3.5.1 Het oordeel van het Hof in rov. 4.16 dat de termijnoverschrijdingen, voorzover in de ingebrekestelling gesteld (dat wil zeggen ten aanzien van de pieren, de breakwaters en het strand), niet aan het Eilandgebied kunnen worden toegerekend berust in de eerste plaats op de rov. 4.10-4.12, die in de kern erop neerkomen dat het te laat tot stand komen van de beheersovereenkomst (waarvan de aanleg van de pieren, de breakwaters en het strand afhankelijk was) niet aan het Eilandgebied kan worden toegerekend. Het Hof heeft daartoe in rov. 4.7 overwogen dat aan het Eilandgebied niet kunnen worden toegerekend vertragingen in de nakoming die zijn veroorzaakt doordat zij voor de tijdige nakoming afhankelijk was van derden. De aanleg van het strand, de breakwaters en de pieren, aldus het Hof in rov. 4.10, was afhankelijk van KABNA-financiering, terwijl KABNA daartoe de eis stelde dat vóór het begin van de werkzaamheden een beheersovereenkomst ten aanzien van strand en pieren zou worden gesloten tussen het Eilandgebied, Van der Valk en Seaquarium, een andere bij het Cornelisbaaiproject betrokken partij. Het Hof heeft daarop in rov. 4.12 als volgt overwogen (waarbij aangetekend dient te worden dat de vermelding van de brief van 5 augustus 1995 op een kennelijke vergissing berust; bedoeld is de brief van 5 augustus 1996):

"Op grond van de stukken moet ervan worden uitgegaan dat de totstandkoming van de beheersovereenkomst nogal wat voeten in de aarde heeft gehad, mede door bezwaren van de zijde van Van der Valk Plaza. Bij pleidooi in hoger beroep (...) heeft het Eilandgebied voorts een brief overgelegd van Van der Valk Plaza van 5 augustus 1995, waarin gesteld wordt dat Van der Valk Plaza geen belangstelling meer had voor onder meer "deelname in de gezamenlijke strandexploitatie". Inmiddels is de beheersovereenkomst getekend (...)."

3.5.2 Partijen zijn het er klaarblijkelijk over eens dat de beheersovereenkomst door het Eilandgebied moest worden opgesteld. Tijdens het pleidooi in hoger beroep hebben beide partijen gesteld dat het eerste concept van de beheersovereenkomst pas in april 1999 door het Eilandgebied aan Van der Valk is toegezonden. Op grond van artikel 6 lid 2 van de vaststellingsovereenkomst van 21 maart 1995 moest het Eilandgebied ervoor zorgen dat de Cornelispier, de breakwaters en het strand een jaar later, derhalve op 21 maart 1996 klaar zouden zijn. De door Van der Valk ten aanzien van voormeld concept gemaakte opmerkingen kunnen dus niet van invloed zijn geweest op het niet halen van de overeengekomen termijn. Het Hof heeft geen feiten vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat Van der Valk vóór 21 maart 1996 eraan in de weg heeft gestaan dat een beheersovereenkomst werd gesloten, dan wel daaraan niet de van haar te verlangen medewerking heeft verleend. Het heeft evenmin vastgesteld dat het concept wel tijdig is gezonden naar KABNA, dat daaraan zijn goedkeuring diende te verlenen, noch heeft het overwogen dat KABNA bij tijdige toezending zijn toestemming daaraan zou hebben onthouden. Het Hof heeft zijn oordeel dat de termijnoverschrijding het Eilandgebied niet kan worden toegerekend derhalve onvoldoende gemotiveerd. De daarop gerichte klachten van onderdeel 3a slagen.

3.5.3 Onderdeel 3b klaagt dat de rechtsoverwegingen 4.10-4.12 van het Hof onbegrijpelijk zijn voorzover zij betrekking hebben op de Marichipier en de bijbehorende breakwaters.

De afhankelijkheid van het totstandkomen van een beheersovereenkomst als bedoeld in 3.5.1 hiervoor, gold alleen de aanleg van de Cornelispier en wat daarbij hoort, en niet de Marichipier. Onderdeel 3b slaagt derhalve evenzo.

3.6.1 Het oordeel van het Hof in rov. 4.16 berust in de tweede plaats op de rov. 4.13-4.15, die in de kern erop neerkomen dat de termijnoverschrijdingen geen wanprestatie opleverden van het Eilandgebied, omdat het Eilandgebied het gehele pakket van zijn verplichtingen mocht opschorten zolang onvoldoende duidelijkheid bestond over de uitvoering door Van der Valk van de door haar voorgenomen toeristische projecten. Daartoe overwoog het Hof in rov. 4.13 dat het gehele pakket aan verplichtingen van het Eilandgebied staat tegenover de uitvoering van de voorgenomen toeristische projecten van Van der Valk, terwijl in de rov. 4.14 en 4.15 ligt besloten dat, hoewel het Eilandgebied in beginsel het eerst diende te presteren, het in de gegeven omstandigheden toch bevoegd was de nakoming van haar eigen verplichtingen op te schorten.

3.6.2 De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat partijen het erover eens zijn dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten ter beëindiging van het geschil tussen partijen over het feit dat het Eilandgebied het Marichistrandproject niet heeft gerealiseerd en dat het gehele pakket aan verplichtingen dat het Eilandgebied in die overeenkomst op zich heeft genomen, daarvoor een alternatief vormde, met andere woorden dat de verplichtingen van het Eilandgebied slechts stonden tegenover de afstand die Van der Valk deed van haar gesteld recht op schadevergoeding. Derhalve klaagt onderdeel 4c terecht dat onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof in rov. 4.13 dat het gehele pakket aan verplichtingen van het Eilandgebied staat tegenover de uitvoering van de voorgenomen toeristische projecten van Van der Valk. Ook de onderdelen 4a en b zijn gegrond, aangezien aan de daarin aangevallen oordelen eveneens het door onderdeel 4c terecht met een motiveringsklacht bestreden oordeel ten grondslag ligt.

3.6.3 Het slagen van deze klachten brengt mee dat de overige klachten van het vierde middel niet meer behandeld behoeven te worden. Ten overvloede overweegt de Hoge Raad nog als volgt. De onderdelen 4d en 4e falen, voor zover zij ten betoge strekken dat het Hof heeft miskend dat naar (oud-)Antilliaans recht - overeenkomend met het Nederlandse recht zoals dit voor 1 januari 1992 gold - niet de regel geldt dat de partij bij een wederkerige overeenkomst die verplicht is het eerst te presteren, niettemin bevoegd is de nakoming van haar verbintenis op te schorten, indien na het sluiten van de overeenkomst te harer kennis gekomen omstandigheden haar goede grond geven te vrezen dat de wederpartij haar daartegenover staande verplichtingen niet zal nakomen (de zogenoemde onzekerheidsexceptie). Voor zover onderdeel 4e echter een motiveringsklacht richt tegen het in rov. 4.14 en 4.15 vervatte oordeel dat het Eilandgebied zich in de gegeven omstandigheden met recht op bedoelde regel heeft beroepen, slaagt het. Het Hof heeft ten onrechte niet gemotiveerd op welke grond het Eilandgebied moest vrezen dat Van der Valk haar voornemen om op korte termijn een hotel te bouwen aan de Cornelisbaai had opgegeven, waartoe het gezien het debat in de feitelijke instanties wel gehouden was.

3.7 Middel V mist zelfstandige betekenis.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 29 augustus 2000;

verwijst het geding naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt het Eilandgebied in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Van der Valk begroot op € 4.310,91 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 juni 2002.