Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2369

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
C00/304HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 344
JWB 2002/221

Uitspraak

14 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/304HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

t e g e n

DE GEMEENTE AMSTERDAM, gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.M. Schutte.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 20 mei 1994 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en een vordering ingesteld, die in de eerste instantie na wijzigingen van eis inhield bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Gemeente te veroordelen tot:

1. betaling van een bedrag van ƒ 50.027,13, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 1993;

2. betaling van een bedrag van ƒ 65.716,13, te vermeerderen met rente en kosten, indien en voorzover [eiser] in de dwangbevelprocedure tot betaling van een dergelijke bedrag zou worden veroordeeld;

3. betaling van een bedrag van ƒ 210.000,--, althans een bedrag dat de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum der dagvaarding;

4. betaling van een bedrag van ƒ 5.000,-- voor buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.

De Gemeente heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 26 juli 1995 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 11 juni 1997 het gevorderde afgewezen.

Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij tussenarrest van 7 mei 1998 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast.

Vervolgens heeft [eiser] bij akte ter zitting van 3 december 1998 zijn eis aangevuld met een vordering tot betaling door de Gemeente van:

- een bedrag van ƒ 6.849,51 voor het dichttimmeren van het pand op nr. [7] ter voorkoming van kraak na de - gedwongen - ontruiming tengevolge van de sloopactiviteiten van de Gemeente op en aan nr. [9], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf deze zittingsdatum;

- een bedrag van ƒ 63.022,44 voor huurderving van de drie inmiddels gesloopte appartementen, te vermeerderen met een bedrag van ƒ 1.376,89 voor elke kalendermaand, ingaande 1 januari 1999, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Het Hof heeft bij tussenarrest van 3 juni 1999 een deskundigenonderzoek bevolen. Na deskundigenbericht heeft het Hof bij eindarrest van 13 juli 2000 beide bestreden vonnissen van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Gemeente veroordeeld tot betaling aan [eiser] van:

(i) ƒ 65.716,17, indien en voorzover [eiser] in de tussen partijen aanhangige dwangbevelprocedure tot betaling van een dergelijk bedrag veroordeeld zal worden;

(ii) ƒ 92.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 1994;

(iii) ƒ 5.000,-- met de wettelijke rente vanaf 20 mei 1994;

(iv) ƒ 6.849,51 met de wettelijke rente vanaf 3 december 1998;

(v) het meer of anders gevorderde afgewezen.

De arresten van het Hof van 7 mei 1998, 3 juni 1999 en 13 juli 2000 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de twee laatstvermelde arresten van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 2 mei 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is eigenaar van de percelen [a-straat] nrs. [1] tot en met [7] te [woonplaats] en van de zich daarop bevindende panden, voorzover nog aanwezig. De Gemeente is eigenaar van het perceel [a-straat] nr. [9] en was eigenaar van het op dat perceel gebouwde doch inmiddels gesloopte pand.

(ii) De panden [a-straat] nrs. [1]-[7] maken deel uit van dezelfde bouweenheid en zijn later gebouwd dan het pand [a-straat 9]. Het pand nr. [7] beschikt niet over een eigen muur. De vloeren van laatstgenoemd pand zijn bij de bouw ingebouwd in de muur van nr. [9]. De muur tussen de panden nrs. [7] en [9] was gemeenschappelijk geworden en gemeenschappelijk eigendom van [eiser] en de Gemeente.

(iii) Het pand nr. [9] verkeerde in een zodanig slechte bouwkundige toestand dat de Gemeente in 1992 tot sloop hiervan heeft besloten. Eind januari/begin februari 1993 is het pand op nr. [9] gesloopt.

(iv) Deze sloop heeft tot schade geleid aan het pand op nr. [7].

(v) Het hoofd Bouw- en Woningtoezicht van de Gemeente heeft [eiser] op 9 februari 1994 aangeschreven om een aantal voorzieningen te treffen teneinde de bewoonbaarheid van de woningen in het pand [a-straat] nr. [7] te handhaven dan wel om het pand te slopen binnen een termijn van acht weken na deze datum. Aan deze aanschrijving heeft [eiser] niet voldaan. De Gemeente is vervolgens tot afbraak van het pand overgegaan, zulks op de begane grond na.

3.2 [Eiser] vordert in de onderhavige procedure vergoeding van de door hem als gevolg van de sloop geleden schade, zulks op de grond dat de Gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld en heeft de vordering afgewezen.

Het Hof was van oordeel dat de Gemeente jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door het pand [a-straat 9] te slopen zonder voorafgaand onderzoek naar de toestand van de muur die de panden [a-straat 7] en [9] gemeenschappelijk hadden, en heeft de gevorderde schadevergoeding ten dele toegewezen. In cassatie wordt slechts de gedeeltelijke afwijzing van de gevorderde schadevergoeding bestreden.

3.3 Onderdeel 1 heeft betrekking op het volgende.

In rov. 2.4 van zijn arrest van 3 juni 1999 overweegt het Hof:

"2.4 [Eiser] vordert - na vermeerdering van eis - zes schadeposten, te weten (i) (...), (iii) ƒ 210.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag ter zake van de waarde van het (inmiddels goeddeels gesloopte) pand [a-straat 7], (iv) (...), en (vi) een bedrag groot ƒ 63.022,44 aan huurderving van de drie inmiddels gesloopte verdiepingen van het pand [a-straat 7], te vermeerderen met ƒ 1.376,89 voor elke kalendermaand met ingang van de maand januari 1999, (...)"

In rov. 2.8 overweegt het Hof vervolgens:

"2.8 De Gemeente heeft terecht opgemerkt dat de posten (iii) en (vi) niet beide gevorderd kunnen worden. De schade als gevolg van de (vanwege de sloop van drie verdiepingen) verminderde waarde van het pand [a-straat 7] kan [eiser] vorderen hetzij via het verschil tussen de waarde van dat pand (kort gezegd) zonder en met onrechtmatige daad hetzij via de som van de verminderde opbrengsten uit dat pand als gevolg van die sloop. Nu [eiser] deze schadepost gedurende de gehele procedure heeft berekend op eerstbedoelde manier en in zijn desbetreffende akte ook niet aangeeft dat hij thans kiest voor laatstbedoelde berekeningswijze, gaat het Hof ervan uit dat [eiser] deze schadepost vastgesteld wenst te zien aan de hand van de waardebepalingen als hiervoor aangegeven. Daarmee is gegeven dat post (vi) niet toewijsbaar is."

Hiertegen keren zich de onderdelen 1.1-1.3. Deze onderdelen falen op grond van het volgende.

Het Hof heeft, naar mede blijkt uit rov. 2.9, post (iii) opgevat als strekkende tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade (vermogensvermindering) als gevolg van het (blijvende) verlies van een deel van het pand als huurinkomsten genererend vermogensobject. Deze uitleg van de vordering van [eiser] is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. In de inleidende dagvaarding heeft [eiser] onder 22 gesteld dat de waardevermindering van het pand gelijk staat aan de verkoopprijs van het pand in goede staat en daarvoor een post van ƒ 151.975,68 opgevoerd, welk bedrag hij berekende op basis van 8x de jaarlijkse huur. Bij akte houdende wijziging van eis d.d. 16 oktober 1996 heeft [eiser] het bedrag van ƒ 151.975,68 vervangen door een bedrag van ƒ 210.000,--, "zijnde dit het bedrag waarop het pand [a-straat 7] voor de gemeentelijke onroerende zaakbelasting is getaxeerd (vide produktie), welk bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum der dagvaarding, e.e.a. in afwijking van de berekening in onderdeel 22 van de dagvaarding".

Post (vi) is bij een vermeerdering van eis in hoger beroep door [eiser] zonder toelichting aan zijn vordering toegevoegd.

In het licht van dit een en ander geeft 's Hofs oordeel dat naast de aldus opgevatte post (iii) niet tevens post (vi) toewijsbaar is, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voorzover in de onderdelen wordt uitgegaan van een andere lezing van 's Hofs overweging, kunnen zij bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.4 De in de onderdelen 1.4, 2 en 3 aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 4.023,76 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 14 juni 2002.