Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2206

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
03-05-2002
Zaaknummer
C00/257HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 277
JWB 2002/176
JBO 2005/342
JM 2003/65 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 mei 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/257HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2], echtgenote van [betrokkene A],

beiden wonende te [woonplaats],

in hun hoedanigheid van erfgenamen van [betrokkene A],

in levend wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. A.R. Sturhoofd, thans mr. W.I. Wisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 25 september 1996 [betrokkene A], wonende te [woonplaats] - verder te noemen: [betrokkene A] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [betrokkene A] te veroordelen te betalen:

1. ƒ 26.032,13, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 1996, althans vanaf de dag van de dagvaarding;

2. de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, ter hoogte van ƒ 3.441,66 althans ter hoogte van een door de Rechtbank naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verzuim;

3. de kosten van de procedure met bepaling dat [betrokkene A] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als hij de proceskosten niet binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis zal hebben betaald.

[Betrokkene A] heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden en voorwaardelijk in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen om aan [betrokkene A] een door de Rechtbank naar redelijkheid en billijkheid te bepalen vergoeding ten bedrage van diens verrijking te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 1997 tot aan de dag van de algehele voldoening.

[Eiser] heeft de vordering in voorwaardelijke reconventie bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 31 juli 1998 in conventie de vordering afgewezen en in voorwaardelijke reconventie verstaan dat hierop niet hoeft te worden beslist.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Na het overlijden van [betrokkene A] hebben verweerders in cassatie - verder te noemen: de erven [betrokkene A] - de procedure van [betrokkene A] overgenomen.

Bij arrest van 29 mei 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De erven [betrokkene A] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 420,75 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 3 mei 2002.