Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2202

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
03-05-2002
Zaaknummer
C00/253HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 47 met annotatie van G.A. van der Veen
JOL 2002, 275
NJ 2002, 465
VR 2003, 6
AV&S 2002, p. 164 met annotatie van T.A. Hekster
Module Verkeer 2002/143
O&A 2002, p. 94 (nr.2)
JWB 2002/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 mei 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/253HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.L.W. Sillevis Smitt,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat), gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 21 oktober 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de Kantonrechter te 's-Gravenhage en gevorderd de Staat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 4.312,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1996, althans vanaf 5 augustus 1998, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening.

De Staat heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 14 april 1999 de Staat veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 4.312,50, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 3.750,-- vanaf 1 januari 1996, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage.

Bij vonnis van 24 mei 2000 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis van de Kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 21 februari 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 1 januari 1996 omstreeks 7.00 uur reed [eiser] met zijn auto over de rondweg te Dordrecht. Deze rondweg is een gedeelte van de rijksweg A16. Hij is met zijn auto geslipt en tegen een vangrail gebotst. De hierdoor ontstane schade bedroeg ƒ 3.750,--.

(ii) De weg was ter plaatse voorzien van zeer open asfaltbeton (hierna: ZOAB) en was spiegelglad als gevolg van ijzel. Ter plaatse waren geen waarschuwingsborden voor gladheid geplaatst. Vanaf 31 december 1995 om

22.00 uur is over de radio regelmatig voor gladheid gewaarschuwd.

3.2 [Eiser] heeft de Staat aangesproken tot betaling van schadevergoeding. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het ZOAB-wegdek niet voldeed aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden en dat de Staat als wegbeheerder aansprakelijk is voor de door hem geleden schade. De Kantonrechter heeft de vordering van [eiser] toegewezen. In hoger beroep heeft de Rechtbank deze vordering afgewezen op grond van overwegingen die als volgt kunnen worden samengevat. Het enige - redelijke - alternatief voor een ZOAB-wegdek is een Dicht-Asfalt-Beton (DAB)-wegdek. Beide wegdekken hebben nadelen, hetgeen impliceert dat de weggebruiker niet mag verwachten dat onder alle omstandigheden overeenkomstig de bestemming gebruik gemaakt kan worden van de openbare weg. Indien sprake is van exceptionele omstandigheden dient de weggebruiker daarmee rekening te houden. De Staat is aansprakelijk indien de aan het ZOAB-wegdek verbonden nadelen van dien aard zijn dat sprake is van een gebrek als bedoeld in art. 6:174 BW. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat deze alleen toepassing kan vinden als sprake is van een gebrek aan de weg als zodanig en niet als de gebrekkigheid bestaat in de aanwezigheid op het wegdek van ijzel dat niet duurzaam met het wegdek is verenigd. Dat bij de bestrijding van gladheid ten gevolge van ijzel bij ZOAB relatieve nadelen optreden, levert niet een gebrek van de weg op. Onder een gebrekkige toestand kan tevens worden verstaan een gevaarlijke toestand die onveranderd wordt gelaten. Hiervan is sprake als de Staat als wegbeheerder is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgverplichting, waaronder het bestrijden van gladheid en het vervullen van zijn waarschuwingsplicht. De Staat heeft onbetwist aangevoerd dat ter plaatse kort voor het ongeval tweemaal met pekel was gestrooid. Te dier zake is de Staat niet tekortgeschoten. Voor de beoordeling van de waarschuwingsplicht van de Staat is van belang dat het hier gaat om kortdurend gevaar dat veroorzaakt wordt door plotseling optredende (weers-)omstandigheden welke ook gevaar kunnen opleveren op andere wegbedekkingen. De Staat mocht van een weggebruiker verwachten dat deze zich via de media op de hoogte zou stellen van de heersende weersomstandigheden en de gevolgen daarvan. De Staat was niet gehouden borden te plaatsen met het opschrift "ZOAB" al dan niet in combinatie met het verkeersbord dat voor slipgevaar waarschuwt.

3.3 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat - zoals de Rechtbank, in cassatie terecht niet bestreden, tot uitgangspunt heeft genomen - de aanwezigheid van ijzel op het wegdek niet een gebrek is in de zin van art. 6:174. Zoals de Rechtbank voorts terecht heeft geoordeeld, gaat het in het onderhavige geval om de beantwoording van de vraag of de onderhavige weg met een ZOAB-wegdek niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. De onderdelen 1 en 2 van het middel gaan uit van een andere lezing van het vonnis van de Rechtbank en kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.4 De Rechtbank heeft onder ogen gezien dat, zoals de Staat zelf had aangevoerd, aan het gebruik van ZOAB twee "relatieve" nadelen zijn verbonden: (a) ZOAB-wegdek kan bij ijzel eerder glad worden dan DAB-wegdek en (b) gladheid bij ijzel is bij ZOAB-wegdek onder omstandigheden moeilijker te bestrijden. De Rechtbank heeft geoordeeld dat deze nadelen als zodanig geen gebrek van de weg opleveren en dat deze nadelen ook niet van dien aard zijn dat de Staat andere maatregelen dient te nemen dan bij het adequaat bestrijden van door ijzel veroorzaakte gladheid in het algemeen nodig is, omdat gladheid door ijzel nimmer geheel te voorkomen is. In dit oordeel ligt besloten dat aan ZOAB in de omstandigheden als de onderhavige niet een gevaar is verbonden dat ten opzichte van het algemeen bekende gevaar van ijzel op de rijweg noopt tot het aannemen van een bijzondere zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers. De Rechtbank heeft overwogen dat de Staat als wegbeheerder voldoende zorg heeft betracht door tijdig met pekel de gladheid te bestrijden en dat via de media meermalen is gewaarschuwd voor het dreigende gevaar van gladheid. Nu de weggebruiker op het gevaar van gladheid door ijzel in de gegeven omstandigheden bedacht diende te zijn, bestond er ook geen bijzondere waarschuwingsplicht met betrekking tot de aanwezigheid van ZOAB. Deze oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn niet onbegrijpelijk en zij zijn toereikend gemotiveerd. Op dit een en ander stuiten de overige onderdelen geheel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgsproken door de raadsheer A. Hammerstein op 3 mei 2002.