Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2190

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
03-05-2002
Zaaknummer
C00/224HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 272
JWB 2002/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 mei 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/224HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende gemeenschappelijke regeling [eiser], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. B. Winters,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 31 oktober 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Utrecht en - na vermeerdering van eis - gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen:

a. ƒ 3.586,28 aan achterstallige huur tot en met oktober 1995, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 1995;

b. primair: de huurpenningen die op grond van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst sedert 1 november 1995 verschuldigd zijn, totdat de huurovereenkomst op rechtsgeldige wijze wordt beëindigd, onverlet latende het recht van [eiser] op de jaarlijks rechtsgeldig tot stand gekomen huurverhogingen, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de opeisbaarheid van de huur (derhalve per huurtermijn vanaf de eerste dag van de maand waarop die huurtermijn betrekking heeft;

subsidiair: de achterstallige huurpenningen van november 1995 tot en met november 1996 ten bedrage van ƒ 3.813,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de huurtermijnen, derhalve per huurtermijn vanaf de eerste dag van de maand waarop die huurtermijn betrekking heeft;

c. ƒ 531,95 aan buitengerechtelijke invorderingskosten, inclusief BTW.

[Verweerder] heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden en zijnerzijds voorwaardelijk in reconventie, namelijk voor zover de vordering in conventie wordt toegewezen, gevorderd [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de schade van [verweerder] wegens gemist woongenot over de periode 1 september 1994 tot 1 november 1995, ten bedrage van ƒ 3.586,28, alsmede tot betaling van een bedrag van ƒ 25.487,-- met de wettelijke rente hierover vanaf 27 december 1995.

[Eiser] heeft de vordering in reconventie bestreden.

De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 16 april 1997 in conventie [eiser] in de gelegenheid gesteld een akte te nemen en bij tussenvonnis van 8 oktober 1997 beide partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over een voorgenomen deskundigenonderzoek. Bij eindvonnis van 28 oktober 1998 heeft de Kantonrechter in conventie de vordering afgewezen en in reconventie de voorwaardelijk ingestelde vordering in reconventie buiten behandeling gesteld.

Tegen deze vonnissen heeft [eiser] in conventie en in reconventie hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Utrecht. Bij memorie van grieven heeft [eiser] zijn eis vermeerderd en gevorderd de vonnissen van 16 april 1997, althans 8 oktober 1997 en 28 oktober 1998 van de Kantonrechter te Utrecht te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad in conventie:

a. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de huurpenningen over de periode van 1 september 1994 tot en met 1 juni 1999, zijnde een totaal bedrag van ƒ 17.082,81, vermeerderd met de wettelijke rente over de verschuldigde huurpenningen vanaf de eerste van de maand waarover de respectievelijke huurpenningen verschuldigd zijn;

b. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad ƒ 531,95 (inclusief BTW);

c. de huurovereenkomst tussen partijen per datum vonnis te ontbinden en [verweerder] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de gehuurde standplaats aan de [a-straat 1] te [plaats B], te ontruimen en te verlaten met al degenen die zich daarop zijn zijnentwege bevinden en al hetgeen zich daarop van zijnentwege bevindt, waarbij [eiser] gemachtigd wordt de ontruiming zonodig zelf te doen uitvoeren op kosten van [verweerder] met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

d. [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen per maand, een gedeelte van de maand voor een gehele gerekend, met ingang van 1 juni 1999 een bedrag van ƒ 336,83, vermeerderd met de tegen 1 juli 1999 regulier aan te zeggen huurverhoging, op uiterlijk iedere eerste dag van de maand, gedurende de periode dat [verweerder] voornoemde standplaats niet ontruimd en verlaten heeft.

[Verweerder] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en bij memorie van antwoord zijn eis in reconventie vermeerderd en gevorderd het eindvonnis van de Kantonrechter in reconventie te vernietigen en opnieuw rechtdoende [eiser] te veroordelen tot betaling van ƒ 25.487,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 december 1995.

Bij vonnis van 12 april 2000 heeft de Rechtbank in het principaal en incidenteel appel de vonnissen van de Kantonrechter van 16 april 1997 en 8 oktober 1998 bekrachtigd, het vonnis van 28 oktober 1998 vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [verweerder] veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 15.463,84, zijnde de huurpenningen over de periode van 1 september 1994 tot en met 1 juni 1999 en de voorschotten waterverbruik, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de eerste van de maand waarover de respectievelijke huurpenningen en de voorschotten waterverbruik verschuldigd zijn. Voorts heeft de Rechtbank [eiser] veroordeeld tot betaling van ƒ 15.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 december 1995, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. K.A. van Voorst, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 359,48 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 3 mei 2002.