Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2178

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
C00/348HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2178
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 423
JWB 2002/277
JOR 2002/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juli 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/348HR

WS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.J. Dekker,

t e g e n

IDM LEASEMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: IDM - heeft bij exploit van 13 maart 1998 - eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], gedagvaard voor de Rechtbank te Zutphen en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad als volgens de Wet, [eiser] en [A] B.V. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan IDM ten titel van schadevergoeding/ongerechtvaardigde verrijking te betalen een bedrag van ƒ 47.409,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 45.500,-- vanaf 1 februari 1995, althans 27 januari 1996 tot aan de dag der algehele voldoening.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 30 juli 1998 een comparitie van partijen gelast. Bij vonnis van 24 juli 1999 heeft de Rechtbank de vordering van IDM jegens [eiser] afgewezen en iedere beslissing ten aanzien van de vordering van IDM op [A] B.V. wegens haar faillissement aangehouden.

Tegen dit vonnis heeft IDM in de procedure tegen [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 19 september 2000 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank waarvan beroep vernietigd en de vordering van IDM alsnog toegewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

IDM heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In deze zaak gaat het om het volgende. IDM heeft op grond van een op 29 juni 1992 met [B] B.V. gesloten lease-overeenkomst een (stil) pandrecht verkregen op een aan die vennootschap toebehorende Jeep Cherokee, kenteken [AA-AA-00]. IDM heeft gesteld dat [eiser] als bestuurder van [B] B.V. onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door in strijd met de bepalingen van de lease-overeenkomst van 29 juni 1992 die auto aan het pandrecht te onttrekken, waardoor zij zich in het faillissement van [B] B.V. niet op de auto heeft kunnen verhalen en pro resto nog een bedrag van ƒ 83.175,42 van die vennootschap te vorderen heeft. IDM heeft van [eiser] betaling gevorderd van een bedrag van ƒ 47.409,38. De schade die zij heeft geleden doordat zij haar pandrecht niet meer kon uitoefenen, heeft zij gesteld op ƒ 45.500,--, zijnde de verkoopprijs van de auto. [Eiser] heeft bestreden als bestuurder onrechtmatig te hebben gehandeld jegens IDM.

De Rechtbank heeft, oordelend dat IDM onvoldoende heeft gesteld om de persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] als bestuurder te kunnen aannemen, de vordering afgewezen.

3.2 Het Hof heeft [eiser] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk geoordeeld en de vordering toegewezen. Het heeft daartoe - samengevat - als volgt overwogen.

Vooropgesteld moet worden dat, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, sprake kan zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van onrechtmatig handelen, indien die bestuurder wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent (HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). (rov. 5.4)

Dat [eiser] ter rechtvaardiging van zijn handelen heeft aangevoerd dat de waarde van de aan IDM verstrekte zekerheden ver uitsteeg boven de hoogte van de restantschuld, is niet relevant. Tussen partijen bij de lease-overeenkomst is nadrukkelijk overeengekomen dat alle daarin genoemde objecten zouden dienen als zekerheid voor de aflossing van de lening. Het is niet aan [eiser] te bepalen dat IDM met minder zekerheden genoegen moet nemen. Hierbij is mede van belang dat - zoals in het onderhavige geval door het bodembeslag van de fiscus - verhaal niet altijd op alle verstrekte zekerheid kan worden uitgeoefend. Mede gelet op het geringe tijdsverloop tussen de verkoop en levering op 15 juli 1993 en de daarna gebleken betalingsproblemen van [B] B.V. (in september 1993 vond de eerste stornering van een termijnbetaling plaats, begin december 1993 werd bodembeslag gelegd door de fiscus, op 28 januari 1994 werd surseance van betaling verleend en op 9 februari 1994 werd het faillissement uitgesproken) is het door [eiser] als bestuurder onttrekken van de auto aan het stil pandrecht een zodanig ernstig verwijt dat hij daarvoor persoonlijk aansprakelijk is te houden. Het verweer van [eiser] dat hij niet wist dat een stil pandrecht op de auto was verleend, wordt verworpen. (rov. 5.5)

Het Hof stelt de te vergoeden schade vast op ƒ 45.500,--, het bedrag waarvoor de auto op 5 maart 1994 - dus vrij kort nadat [B] B.V. in gebreke bleef aan haar verplichtingen op grond van de lease-overeenkomst te voldoen - is gekocht door een derde. (rov. 5.6)

3.3.1 Middel II betoogt dat het Hof een aantal door [eiser] gevoerde verweren onbesproken heeft gelaten, waarvan de juistheid tot een ander oordeel omtrent de aansprakelijkheid van [eiser] zou moeten leiden. Het middel wijst op de volgende verweren.

a. De verkoopprijs (op 15 juni 1993) van de auto van ƒ 32.500,-- was reëel; is daadwerkelijk aan de vennootschap betaald en is zelfs de schuldeisers van de vennootschap, waaronder toen IDM ten goede gekomen.

b. IDM had de schade kunnen verhalen op de overige door de vennootschap gestelde zekerheid; het nalaten daarvan levert eigen schuld op van IDM.

c. IDM zou desgevraagd de auto ten tijde van de verkoop zeker hebben vrijgegeven.

d. De uiteindelijke verkoopprijs van ƒ 45.500,-- kan niet maatgevend zijn voor de te vergoeden schade.

e. [Eiser] heeft geen profijt gehad van de gewraakte verkoop.

3.3.2 Een bestuurder van een vennootschap, die bewerkstelligt of toelaat dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent, kan aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad; het zal dan van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden (HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).

De door het middel onder c en e vermelde verweren kunnen van invloed zijn op het uiteindelijke oordeel over de aansprakelijkheid van [eiser] als bestuurder. Het Hof is derhalve van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, zo het van oordeel is geweest dat het deze verweren niet behoefde te behandelen. Zo het Hof in rov. 5.5 tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verweren dienden te worden verworpen, is zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Het middel slaagt in zoverre. Dit brengt mee dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven.

De overige in de middelen aangevoerde klachten behoeven geen behandeling. Na verwijzing zal de zaak opnieuw in volle omvang moeten worden beoordeeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 19 september 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch;

veroordeelt IDM in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.471,23 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 juli 2002.