Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2120

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2002
Datum publicatie
11-10-2002
Zaaknummer
C00/300HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) 17
Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) 27
Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 529
NJ 2002, 598
S&S 2003, 61
JWB 2002/368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 oktober 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/300HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

CONTAINER TRUCKING VENLO B.V., gevestigd te Venlo,

EISERES tot cassatie, tevens verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

"K" LINE (NEDERLAND) B.V., gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie, tevens eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.V. Polak.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: "K"-Line - heeft bij exploit van 22 oktober 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: CTV -, V.O.F. [A], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gedagvaard voor de Rechtbank te Maastricht. Na wijziging van eis heeft "K"-Line gevorderd CTV, V.O.F. [A], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hoofdelijk te veroordelen om aan haar te betalen:

1. de somma van DM 248.107,20 ter zake van de waarde van de verloren gegane goederen;

2. de somma van ƒ 110.941,30 ter zake de schade ontstaan door de vordering met boete van de fiscus in verband met het niet-zuiveren van het TI-document;

3. een en ander vermeerderd met de wettelijke rente (althans de CMR-rente) ingaande op 10 juni 1996, althans de dag der dagvaarding en te berekenen tot de dag der algehele voldoening.

CTV, V.O.F. [A], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben de vordering bestreden.

Na een tussenvonnis van 7 mei 1998, waarbij een comparitie van partijen is gelast, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 1 oktober 1998 CTV, V.O.F. [A], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hoofdelijk veroordeeld om aan "K"-Line te betalen een bedrag van 54.211,64 SDR (= Speciaal Trekkingsrecht van het IMF) vermeerderd met 5% CMR-rente over voormeld na omrekening verkregen bedrag vanaf 10 juni 1996 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen.

Tegen laatstgenoemd vonnis van de Rechtbank heeft "K"-Line hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij tussenarrest van 10 juli 2000 heeft het Hof [A] tot bewijslevering toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. De Hoge Raad heeft de door witregels gescheiden alinea's in rov. 4 van het arrest van het Hof voorzien van de nummers 4.1 tot en met 4.26.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft CTV afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld. "K"-Line heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt in het principale beroep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als in de conclusie onder 21 weergegeven, en in het incidenteel beroep tot verwerping.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) "K" Line heeft met Epson Duitsland een vervoersovereenkomst gesloten met betrekking tot 528 printers die in een container vervoerd moesten worden van Rotterdam naar Erkelenz/Holzweiler (Duitsland). "K" Line heeft dit vervoer uitbesteed aan CTV. Deze heeft het vervoer op haar beurt uitbesteed aan V.O.F. [A] (verder te noemen: [A]), waarvan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vennoten zijn.

(ii) Een chauffeur van [A] heeft de container op vrijdag 7 juni 1996 opgehaald in Rotterdam.

(iii) "K" Line had aan CTV de instructie gegeven om de container gedurende het weekend te laten overstaan op de bewaakte containerterminal van ECT in Venlo.

(iv) De chauffeur van [A] heeft de container niet in Venlo geparkeerd, doch op een langs de openbare weg te Gulpen gelegen parkeerterrein, dat was voorzien van straatlantaarns, maar niet was afgesloten en/of bewaakt. In het weekend is [betrokkene 1] meermalen ter plaatse gaan kijken. De truck met container was met behulp van een of twee andere trucks met containers - die eveneens door of vanwege [A] aldaar geparkeerd stonden - geblokkeerd.

(v) Op maandagochtend 10 juni 1996 wilde de chauffeur de vrachtwagencombinatie met de container met printers ophalen, maar deze was verdwenen. Enkele uren daarvoor was een der trucks met containers die de onderhavige vrachtwagen blokkeerde, door of vanwege [A] verwijderd.

3.2 "K" Line heeft gevorderd dat CTV, [A], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van DM 248.107,20 ter zake van de waarde van de gestolen goederen en ten bedrage van ƒ 110.941,30 ter zake van de kosten en boete van de fiscus in verband met het niet zuiveren van het T-1 document, alles vermeerderd met de wettelijke rente, althans de CMR-rente. "K" Line stelt daartoe dat aan de zijde van CTV en [A] sprake is van opzet of schuld in de zin van art. 29 CMR.

De Rechtbank heeft gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van 54.211,64 SDR (Speciaal Trekkingsrecht van het IMF), vermeerderd met 5% CMR-rente. De Rechtbank is bij het berekenen van de omvang van de schadevergoeding uitgegaan van de limitering als bedoeld in art. 23 lid 3 CMR. Zij heeft geoordeeld dat het bepaalde in art. 29 CMR toepassing mist, zodat ook de kosten en boete in verband met het niet zuiveren van het T-1 document - die vallen onder de aansprakelijkheidsbeperkende bepaling van art. 23 lid 4, tweede gedeelte - niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Het Hof heeft geoordeeld dat van belang is of CTV de hiervoor in 3.1 onder (iii) vermelde parkeerinstructie van "K" Line aan [A] heeft doorgegeven en heeft [A] toegelaten aan te tonen dat - anders dan door [betrokkene 1] in zijn faxbericht van 10 mei (bedoeld is: juni) 1996 werd geschreven - zij voorafgaand aan het transport op 7 juni 1996 niet van CTV de instructie had gekregen dat de in Rotterdam geladen container in de nacht en in het weekeinde op de bewaakte containerterminal van ECT in Venlo moest worden gestald, en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1.1 Het Hof overweegt dat in hoger beroep nog slechts ter discussie staat, of aan CTV en/of [A] een met opzet gelijk te stellen vorm van schuld in de zin van art. 29 CMR valt te verwijten en dat onvoldoende concrete aanwijzingen voorhanden zijn voor boos opzet (rov. 4.8). Het Hof oordeelt dat de diefstal niet het waarschijnlijke gevolg is van het parkeren op de onbewaakte parkeerplaats, zodat deze handelwijze - los van de andersluidende parkeerinstructies van "K" Line - op zichzelf geen grove schuld oplevert. De kans op diefstal was, ondanks de kostbare lading, zo veel kleiner dan de kans dat de vrachtwagen niet zou worden gestolen, dat de diefstal niet als waarschijnlijk gevolg van het handelen van [A] kan worden aangemerkt (rov. 4.12). Dit staat er evenwel, aldus oordeelt het Hof in rov. 4.13, niet aan in de weg dat aan CTV of aan [A] op andere gronden eventueel grove schuld kan worden verweten. Het Hof vervolgt:

"Van zodanige grove schuld is ook sprake als een uitdrukkelijk gegeven veiligheidsinstructie door de opdrachtgever, die de kans op diefstal onaanvaardbaar hoog achtte en deswege die instructie heeft gegeven, welbewust (om de vervoerder of diens chauffeur moverende redenen) wordt genegeerd, zulks ook al was de kans dat geen diefstal plaats zou vinden groter dan de kans dat die wel plaats zou vinden. Overigens is voor een geslaagd beroep van de rechthebbende op grove schuld aan de zijde van de vervoerder wel vereist dat aannemelijk is dat de diefstal het gevolg was van het negeren van de instructie, in die zin dat aannemelijk is dat bij het naleven van de instructie de diefstal niet zou zijn gepleegd. Aan dit vereiste is echter voldaan nu niet serieus is betwist dat als de container bij ECT in Venlo had gestaan, de diefstal waarschijnlijk niet had plaatsgevonden."

4.1.2 Vooropgesteld moet worden dat de onderdelen geen klacht bevatten die is gericht tegen het oordeel van het Hof dat onvoldoende concrete aanwijzingen voorhanden zijn voor boos opzet. Onderdeel I klaagt over de door het Hof bij de toepassing van art. 29 CMR in verbinding met art. 8:1108 aangelegde maatstaf. Het strekt ten betoge dat het Hof met zijn oordeel dat CTV - enkel vanwege het welbewust, om de vervoerder of diens chauffeur moverende redenen, negeren van de door "K" Line uitdrukkelijk en ter voorkoming van diefstal gegeven parkeerinstructie - op grond van grove schuld geen beroep toekomt op beperking van haar aansprakelijkheid, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel niet toereikend heeft gemotiveerd.

4.1.3 De Hoge Raad heeft in een aantal arresten geoordeeld dat van gedrag dat als roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien moet worden aangemerkt, sprake is, wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden (HR 5 januari 2001, nr. C99/162, NJ 2001, 391; HR 5 januari 2001, nr. C99/029, NJ 2001, 392; HR 22 februari 2002, nr. C99/313, NJ 2002, 388). Nu het Hof in rov. 4.12 oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de kans op diefstal in dit geval zo groot was dat deze als waarschijnlijk gevolg van het parkeren op de parkeerplaats te Gulpen moet worden aangemerkt, en desondanks in rov. 4.13 oordeelt dat van grove schuld aan de zijde van de vervoerder sprake is, omdat welbewust parkeerinstructies zijn genegeerd en de diefstal hoogstwaarschijnlijk niet had plaatsgevonden, indien de vrachtwagen wèl volgens die instructie op de parkeerplaats in Venlo was geparkeerd, heeft het Hof de hiervoor weergegeven norm miskend. Essentieel element van deze norm is immers dat aan de gedraging gevaar verbonden is en dat de kans dat dit gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren. De desbetreffende klachten slagen derhalve en de overige klachten van het onderdeel behoeven geen afzonderlijke behandeling.

4.2 Onderdeel II is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de kosten en boete vanwege het niet zuiveren van het T-1 document voor rekening van CTV komen, omdat CTV ingevolge art. 29 CMR geen beroep op een aansprakelijkheidsbeperking toekomt. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.3 is overwogen, heeft ook dit onderdeel succes.

4.3 Onderdeel III keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de door "K" Line van CTV gevorderde wettelijke rente toewijsbaar is, omdat de CMR-rente ad 5% is omschreven in art. 27 CMR, welk artikel (eveneens) heeft te gelden als een bepaling welke de aansprakelijkheid beperkt.

Het onderdeel slaagt, omdat de in art. 27 lid 1 vervatte fixatie op een vast percentage van de vergoeding der renteschade niet bedoeld is om de aansprakelijkheid voor deze schade in de zin van art. 29 te beperken, maar om die aansprakelijkheid op internationaal uniforme wijze te regelen (vgl. HR 20 november 1998, nr. 16721, C97/200, NJ 1999, 175).

5. Beoordeling van de middelen in het incidentele beroep

5.1 Onderdeel 2 van middel I - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - stelt voorop dat niet beslissend is of de kans dat de schade zich manifesteert groter, even groot of kleiner is dan c.q. als de kans dat deze schade zich niet manifesteert. Ook een kleine kans dat de schade zich manifesteert, kan meebrengen dat de vervoerder er wetenschap van heeft dat de schade waarschijnlijk zou voortvloeien uit een bepaalde handelwijze. In dit geval heeft het Hof, aldus het onderdeel, een onjuiste maatstaf aangelegd omdat het had moeten onderzoeken of er een rechtens relevante kans op diefstal bestond die meebrengt dat aan de maatstaf van art. 29 lid 1 CMR in verbinding met art. 8:1108 lid 1 BW is voldaan.

Uit het hiervoor in 4.1.3 overwogene volgt dat dit onderdeel faalt: het gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting.

5.2 Onderdeel 3 van middel I is met een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel van het Hof in rov. 4.12 en 4.15. Het onderdeel betoogt onder meer dat het laten overstaan van de vrachtwagen met de container met kostbare apparatuur gedurende een geheel weekend op een onbewaakte parkeerplaats als zodanig reeds is te beschouwen als een handelwijze, die geschiedt "roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien".

Het oordeel van het Hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de kans op diefstal in het concrete geval zo groot was dat deze als waarschijnlijk gevolg van het parkeren op de parkeerplaats in Gulpen moet worden aangemerkt, is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Dit oordeel sluit daarenboven uit dat het gedrag van de chauffeur kan worden aangemerkt als gedrag dat voldoet aan de door de Hoge Raad in de hiervoor in 4.1.3 vermelde arresten geformuleerde maatstaf. Het onderdeel faalt.

5.3 Middel II strekt, samengevat, ten betoge dat de schade, bestaande uit de kosten en boeten voor het niet zuiveren van het T-1 document, niet onder art. 17 CMR valt en dus ook niet onder art. 23 lid 4 CMR en art. 28 CMR.

Het middel faalt omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Art. 17 CMR heeft betrekking op de vraag in welke gevallen de aansprakelijkheid van de vervoerder in het leven wordt geroepen terwijl artt. 23 e.v. CMR zien op de omvang van de schadevergoeding. Nu in dit geval vaststaat dat de vervoerde goederen gestolen zijn tijdens het vervoer, is op grond van art. 17 CMR de vervoerder hiervoor aansprakelijk, terwijl voor het bepalen van de omvang van de schadevergoeding de artt. 23 e.v. CMR gelden.

6. Slotsom

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 tot en met 4.3 en in 5.2 is overwogen, dienen in het hoger beroep de grieven te worden verworpen en moet het (beroepen) vonnis van de Rechtbank worden bekrachtigd.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 juli 2000;

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 1 oktober 1998;

veroordeelt "K" Line in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van CTV begroot op € 6.216,79 in totaal;

veroordeelt "K" Line in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CTV begroot op € 4.356,95 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt "K" Line in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CTV begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 oktober 2002.