Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2115

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
C00/281HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2002/177 met annotatie van mr. drs. C.M. Grundmann-van de Krol
JOL 2002, 430
NJ 2002, 472
RvdW 2002, 131
JWB 2002/281

Uitspraak

9 augustus 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/281HR

WS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. BONOPARTI B.V., gevestigd te Baarn,

2. [Eiseres 2], gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [Eiseres 3], gevestigd te [vestigingsplaats],

4. [Eiser 4], wonende te [woonplaats],

5. [Eiser 5], wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.I. van Vlijmen,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

2. [Verweerster 2], beide gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman,

3. [Verweerster 3], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweersters in cassatie sub 1 en sub 2 - verder te noemen: [verweerster 1] en [verweerster 2] dan wel gezamenlijk: Crescendo - hebben bij exploit van 17 maart 1998 eisers tot cassatie - verder te noemen: Bonoparti c.s. - en verweerster in cassatie sub 3 - verder te noemen: [verweerster 3] - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en na wijziging c.q. vermeerdering van eis bij akte van 21 mei 1999 - kort gezegd - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: Bonoparti c.s. en [verweerster 3] te veroordelen, zodra daartoe door Crescendo een verklaring van geen bezwaar op de voet van art. 16 lid 1 en 4 WTE 1995 is verkregen, aan Crescendo 35% van de geplaatste en uitstaande aandelen in het vermogen van [verweerster 3] juridisch te leveren en daaraan medewerking te verlenen, met nevenvorderingen;

subsidiair: Bonoparti c.s. en [verweerster 3] te veroordelen met Crescendo te goeder trouw te onderhandelen over de verdere inhoud van een te sluiten overeenkomst, strekkende tot verkrijging door Crescendo van 35% van de aandelen in [verweerster 3], waarbij als uitgangspunt zal dienen hetgeen is neergelegd in de intentieverklaring, de leningsovereenkomst en de optie-overeenkomst, met nevenvorderingen;

meer subsidiair: Bonoparti c.s. hoofdelijk, in die zin dat door betaling door de een de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan Crescendo van een vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. Bonoparti c.s. en [verweerster 3] te veroordelen Crescendo afschriften te verstrekken van bepaalde financiële stukken van [verweerster 3] en inzage te verlenen in de boeken van die vennootschap.

Bonoparti c.s. en [verweerster 3] hebben de vorderingen bestreden en afzonderlijke vorderingen in reconventie ingesteld.

Bonoparti c.s. hebben in reconventie gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(i) primair: het door Crescendo gelegde beslag op de aandelen [verweerster 3] op te (doen) heffen, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 100.000,-- per dag;

(ii) subsidiair: onder de voorwaarde dat de vordering in conventie wordt toegewezen, Crescendo bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan Bonoparti c.s. een bedrag te betalen van ten minste ƒ 3.200.000,-- teneinde Bonoparti c.s. in de gelegenheid te stellen in de financieringsbehoefte van [verweerster 3] te voorzien, zulks als wederprestatie voor de levering van maximaal 35% van het aandelenkapitaal in [verweerster 3];

(iii) Crescendo te veroordelen in de kosten van deze procedure en de schade, die zij geleden hebben als gevolg van het beslag op de aandelen, ten minste bestaande uit de kosten van het kort geding dat is gevoerd met betrekking tot de opheffing van het beslag op de aandelen [verweerster 3].

[Verweerster 3] heeft in reconventie gevorderd bij vonnis, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- het door Crescendo gelegde (resterende) beslag op de aandelen in [verweerster 3] op te heffen, althans Crescendo te gelasten dit beslag binnen 48 uur na het te dezen te wijzen vonnis op te heffen en opgeheven te houden, op straffe van een dwangsom van ƒ 100.000,-- per dag;

- Crescendo hoofdelijk te veroordelen tot betaling van alle geleden en/of nog te lijden schade door [verweerster 3] ten gevolge van de verwijtbare tekortkomingen van Crescendo althans het onrechtmatig handelen en/of nalaten door Crescendo jegens [verweerster 3], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en met de wettelijke rente over het schadebedrag;

- voorzover nodig de door Crescendo gepretendeerde intentieverklaring d.d. 5 januari 1998 en/of de leningsovereenkomst en/of optie-overeenkomst nietig te verklaren, althans te vernietigen, althans (geheel of gedeeltelijk) te ontbinden althans te wijzigen, althans voor recht te verklaren dat Crescendo hierop geen beroep kan doen.

Crescendo heeft in reconventie de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 14 juli 1999 in conventie de vorderingen afgewezen. In reconventie heeft zij bij dit vonnis in de zaak van Bonoparti c.s. tegen Crescendo, kort gezegd, Crescendo veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het (resterende) beslag op de aandelen in [verweerster 3] te doen opheffen op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 100.000,-- per dag met een maximum van ƒ 5.000.000,--.

Tegen dit vonnis heeft Crescendo hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bonoparti c.s. hebben (deels) voorwaardelijk en [verweerster 3] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Bonoparti c.s. hebben daarbij hun vordering tot schadevergoeding in verband met het beslag gewijzigd in een vordering tot vergoeding van de desbetreffende schade, op te maken bij staat.

Bij tussenarrest van 13 juli 2000 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing in het principaal beroep en in het (deels) voorwaardelijk incidenteel beroep aangehouden.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben Bonoparti c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Crescendo heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tegen de niet verschenen [verweerster 3] is verstek verleend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Bonoparti c.s. heeft bij brief van 26 april 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Bonoparti c.s. zijn in het tegen [verweerster 3] gerichte beroep niet-ontvankelijk. Het arrest van het Hof is immers niet tussen hen gewezen, nu zij beiden slechts als mede-geïntimeerden in de procedure voor het Hof waren betrokken.

4. Beoordeling van het middel

4.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die de Advocaat-Generaal in 1.2 van de conclusie onder a tot en met q heeft vermeld.

4.2 Het geschil tussen partijen betreft, kort samengevat, een overeenkomst krachtens welke Crescendo aan [verweerster 3] of haar aandeelhouders Bonoparti c.s. een bedrag van ƒ 1,5 miljoen ter beschikking diende te stellen, met het doel [verweerster 3] het vereiste minimumkapitaal te verschaffen om als commissionair deel te nemen aan de effectenhandel op de beurs te Amsterdam. Volgens Crescendo stond daartegenover dat zij het recht zou krijgen deel te nemen in het aandelenkapitaal van [verweerster 3]. De vorderingen van Crescendo in conventie strekken in hoofdzaak tot levering van 35% van de aandelen in [verweerster 3] aan haar, subsidiair tot verder onderhandelen over een daartoe strekkende overeenkomst dan wel schadevergoeding terzake. De vorderingen van Bonoparti c.s. in reconventie strekken in hoofdzaak tot opheffing van het door Crescendo op de aandelen in [verweerster 3] gelegde beslag en vergoeding van de door dat beslag veroorzaakte schade.

4.3 De Rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen en de vorderingen in reconventie voor een groot deel toegewezen. Het Hof heeft de grieven tegen de afwijzing van de primaire vordering in conventie tot levering van de aandelen gegrond bevonden en ook een aantal niet door de Rechtbank besproken verweren van Bonoparti c.s. en [verweerster 3] tegen die vordering verworpen. Vervolgens heeft het Hof in verband met het verweer dat de blokkeringsregeling in de statuten van [verweerster 3] in de weg zou staan aan de gevorderde aandelenoverdracht, een comparitie van partijen bepaald, tevens met het doel een schikking te beproeven. De verdere behandeling van de grieven over en weer heeft het Hof daarbij aangehouden.

4.4 Onderdeel 1 is gericht tegen de rov. 4.9 en 4.10 van het Hof. Volgens die overwegingen slagen de grieven tegen het oordeel van de Rechtbank dat de door Crescendo beoogde overdracht van aandelen in [verweerster 3] aan haar in strijd is met de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: WTE) en dat Crescendo op de voet van art. 16 leden 1 en 4 van die wet geen verklaring van geen bezwaar zal worden verleend. Rov. 4.9 komt erop neer dat het oordeel over het al dan niet verlenen van een verklaring van geen bezwaar aan de Stichting toezicht effectenverkeer (hierna: STE) is en dat er geen reden is om nu al als vaststaand aan te nemen dat de STE die verklaring niet zal verlenen. In rov. 4.10 overweegt het Hof (ten overvloede) dat art. 16 WTE en art. 9 lid 1 van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (Pb EG 1993, L 141, p. 27; hierna: de Richtlijn) niet eisen dat aan een verzoek tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar een kennisgeving van het voornemen een deelneming als in die bepalingen bedoeld te houden, verwerven of vergroten, vooraf dient te gaan.

4.5 Het onderdeel faalt reeds omdat Crescendo aan haar vordering tot levering van de aandelen in [verweerster 3] de clausulering heeft toegevoegd: "zodra een verklaring van geen bezwaar op de voet van art. 16 leden 1 en 4 WTE 1995 is verkregen". Dat brengt mee dat toewijzing van deze vordering op zichzelf niet tot een met de WTE strijdig resultaat kan leiden, ook niet als overeenkomstig het betoog van Bonoparti c.s. het Hof zou moeten beoordelen of een verklaring van geen bezwaar kan worden verleend en zou moeten worden aangenomen dat een ontkennend antwoord op die vraag voor de hand ligt. Maar het onderdeel faalt ook omdat - zoals volgt uit de WTE en op zichzelf in cassatie niet wordt bestreden - het oordeel van het Hof dat de STE (en in beroep het College van beroep voor het bedrijfsleven) bevoegd is te beslissen of al dan niet een verklaring van geen bezwaar zal worden verleend, juist is. Het oordeel dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat die verklaring niet zal worden verleend, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is noch onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd.

4.6 Ook 's Hofs aan het slot van 4.4 hiervoor samengevatte oordeel in rov. 4.10 wordt tevergeefs bestreden. Noch art.16 WTE noch enige andere bepaling in die wet biedt steun aan de veronderstelling dat vóór de aanvraag tot het verlenen van een verklaring van geen bezwaar (afzonderlijk) aan de STE zou moeten worden kennisgegeven van het voornemen tot het houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling. Ook uit de Richtlijn is, anders dan het onderdeel betoogt, die eis niet af te leiden. Volgens artikel 9 lid 1 moet het nationale recht van de Lid-Staten bepalen dat van het voornemen om (rechtstreeks of middellijk) een gekwalificeerde deelneming te verwerven vooraf aan de bevoegde autoriteiten dient te worden kennisgegeven, waarna die autoriteiten binnen drie maanden dienen te beslissen of zij zich tegen die deelneming verzetten. Zoals is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.10, vervult mede blijkens de wetsgeschiedenis van de WTE de aanvraag tot het verlenen van een verklaring van geen bezwaar in het stelsel van die wet de functie van de in de Richtlijn bedoelde kennisgeving. In dat stelsel is geen plaats voor een afzonderlijke kennisgeving van het voornemen tot verwerving van een deelneming en het valt niet in te zien waarom dat stelsel in dit opzicht in strijd zou zijn met de Richtlijn. Het kan redelijkerwijs geen twijfel lijden dat met "vooraf" in art. 9 lid 1 is bedoeld: vóór het tijdstip dat de gekwalificeerde deelneming daadwerkelijk wordt verworven, en niet, zoals het onderdeel wil, zodra (binnen zekere tijd nadat) een voornemen daartoe bij iemand is ontstaan. Ook voorzover het onderdeel over dit oordeel klaagt, faalt het derhalve.

4.7 Ook de in de onderdelen 2 tot en met 6 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart Bonoparti c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep voorzover het is gericht tegen [verweerster 3];

verwerpt het beroep voorzover het is gericht tegen Crescendo;

veroordeelt Bonoparti c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 3] begroot op nihil en aan de zijde van Crescendo begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 9 augustus 2002.