Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2114

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
00438/02 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2114
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 2, geldigheid: 2002-06-18
Uitleveringswet 5, geldigheid: 2002-06-18
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2002-06-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

18 juni 2002

Strafkamer

nr. 00438/02 U

ES/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 29 januari 2002, nummer 15/700021-01, op een verzoek van de Republiek Portugal tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan Portugal ter strafvervolging deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, een en ander zoals in de bestreden uitspraak staat omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de partiële ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering - is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank de uitlevering mede toelaatbaar heeft verklaard ter zake van

- kort gezegd - deelneming aan een criminele organisatie, doch heeft verzuimd de misdrijven te vermelden waarop het oogmerk van die organisatie was gericht.

4.2. Blijkens de bestreden uitspraak heeft de Rechtbank de uitlevering ter fine van strafvervolging toelaatbaar verklaard op grond van de verdenking dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan de eerste drie feiten zoals deze zijn omschreven in het 'Mandado de captura a nível internacional' (internationaal aanhoudingsbevel), kenmerk 'Processo Comum 8235/97 - 3a Secção', opgemaakt door het 'Vara Criminal de Lisboa'. Deze feiten zijn in de Nederlandse vertaling van dit bevel als volgt samengevat:

- een misdrijf van criminele organisatie;

- een misdrijf van bedrog;

- een misdrijf van valsheid in geschrifte.

4.3. De Rechtbank heeft de uitlevering ontoelaatbaar verklaard ter zake van het in de Nederlandse vertaling van het hiervoor onder 4.2 genoemde bevel opgenomen feit van 'onrechtmatig gebruik van computersysteem, geautomatiseerd bestand en gegevensbank.'

4.4. Naar Portugees recht zijn de hierboven onder 4.2 genoemde feiten strafbaar gesteld bij de art. 287 leden 1 en 3, 299 leden 1 en 3, 218 leden 1 en 2, 228 lid 1 onderdeel a en lid 2, 256 lid 1 onderdeel a en lid 3, 313 en 314 onderdelen a en c van het Wetboek van Strafrecht van 1982 zoals nadien gewijzigd. Naar Nederlands recht zijn deze feiten strafbaar gesteld bij art. 140 lid 1, 326 en 225 Sr.

4.5. Indien de uitlevering wordt verzocht ter zake van deelneming aan een organisatie als hiervoren bedoeld, kan de uitlevering slechts toelaatbaar worden verklaard voorzover de feiten waarop de organisatie het oogmerk heeft, strafbaar zijn gesteld bij de wetten van de verzoekende staat terwijl volgens die van de aangezochte staat eenzelfde inbreuk op de rechtsorde eveneens strafbaar is (vgl. HR 24 september 1996, NJ 1997, 70) .

4.6. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank in haar hiervoor onder 4.1 en 4.2 weergegeven beslissing tot uitdrukking willen brengen dat de gevraagde uitlevering slechts kan worden toegestaan voorzover de 'criminele organisatie' het plegen van de onder 4.2 genoemde strafbare feiten van 'misdrijf van bedrog' en 'misdrijf van valsheid in geschrifte' tot oogmerk heeft gehad. Het middel, dat uitgaat van een andere lezing van de bestreden uitspraak, mist derhalve feitelijke grondslag.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 18 juni 2002.

Mr. E.J. Numann is buiten staat dit arrest te ondertekenen.