Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2113

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
C00/234HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 429
NJ 2004, 235 met annotatie van G.J.J. Heerma van Voss
RvdW 2002, 130
Prg. 2002, 5954
JAR 2002, 205
VR 2003, 73
JWB 2002/282
JAR 2002/205 met annotatie van Mr. dr. M.S.A. Vegter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 augustus 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/234HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 10 november 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Breda en gevorderd:

i. voor recht te verklaren dat [verweerster] jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] tengevolge van het hem op 17 februari 1998 overkomen ongeval heeft geleden;

ii. [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] reeds geleden en nog te lijden schade tengevolge van het hem op 17 februari 1998 overkomen ongeval, te vermeerderen met de wettelijke rente van 17 februari 1998, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 12 mei 1999 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.

Bij vonnis van 16 mei 2000 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het be-streden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is op 21 november 1994 in dienst gestreden bij [verweerster] in de functie van betontimmerman.

(ii) Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de CAO voor het Bouwbedrijf van toepassing.

Art. 20 lid 2 van die CAO luidt als volgt:

"De chauffeur, die door de werkgever als zodanig is aangewezen, heeft voor elke dag dat hij/zij het vervoer van één of meer meerijder(s) verzorgt recht op een toeslag volgens onderstaande tabel, tenzij het vervoer plaatsvindt met een door de werkgever ter beschikking gestelde auto."

Art. 26 lid 1 CAO luidt als volgt:

"De werknemer die zowel binnen als buiten zijn woongemeente werkzaam is en dagelijks meer dan 15 kilometer moet reizen om van zijn eigen woning naar het werk en weer terug te komen, heeft recht op vergoeding van de reiskosten. Het vervoer tussen woning en werk zal zoveel mogelijk als groepsvervoer plaatsvinden. Indien hiervoor gebruik moet worden gemaakt van een auto, die niet door de werkgever ter beschikking is gesteld, geldt de meerijregeling zoals opgenomen in art. 20 lid 2."

(iii) Vanaf november 1997 reed [eiser] iedere werkdag met zijn eigen auto van zijn woonplaats [...] naar Deventer. [Eiser] ontving toeslagen op grond van de hiervoor weergegeven CAO-bepalingen (reisurenvergoeding, autokostenvergoeding en meerijderstoeslag). Voor het "project Deventer" betekende dit een vergoeding van circa ƒ 850,-- per 5 dagen rijden. [eiser] hield aldus ongeveer ƒ 1.500,-- netto per maand over aan deze vergoeding.

(iv) Op 17 februari 1998 was [eiser] in zijn auto, waarin hij tevens drie collega's vervoerde, op weg naar Deventer toen om ongeveer 06.30 uur door zijn schuld een aanrijding ontstond, ten gevolge waarvan hij ernstig gewond raakte, zijn collega's gewond raakten en zijn auto geheel vernield werd.

(v) De WAM-verzekeraar van [eiser] heeft de materiële en immateriële schade van de collega's van [eiser] vergoed. De schade aan de auto en de letselschade van [eiser] zijn niet vergoed.

3.2 [Eiser] heeft een vordering tegen [verweerster] ingesteld strekkende tot een verklaring voor recht dat deze jegens hem aansprakelijk is ter zake van de schade die hij als gevolg van voormeld ongeval heeft geleden, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat. De Kantonrechter en de Rechtbank hebben deze vordering afgewezen omdat zij van oordeel waren dat het ongeval niet heeft plaatsgevonden tijdens werkuren of in de uitoefening van de aan [eiser] opgedragen werkzaamheden, doch tijdens het woon-werkverkeer. De middelen bestrijden dit oordeel.

3.3 Het eerste middel is gericht tegen rov. 3.8 van het bestreden vonnis, waarin de Rechtbank heeft overwogen dat het ongeval niet tijdens werktijd of in de uitoefening van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden en het bepaalde in art. 7:658 BW dus niet van toepassing is. Het middel faalt, omdat het oordeel van de Rechtbank juist is. Art. 7:658 schept voor de werkgever een zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer en de door deze te gebruiken werktuigen. Deze zorgplicht en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid houden nauw verband met de zeggenschap van de werkgever over de werkplek en zijn bevoegdheid de werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. Ook al moeten deze zorgplicht en het vereiste dat de schade door de werknemer is geleden "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" als bedoeld in het tweede lid van voormeld artikel ruim worden uitgelegd, daaronder valt niet een geval als het onderhavige waarin een werknemer bij het besturen van zijn eigen auto op weg naar zijn werk een verkeersongeval veroorzaakt heeft.

3.4 Het tweede middel, dat zich keert tegen het oordeel van de Rechtbank dat dit ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het 'gewone' woon-werkverkeer, treft evenwel doel. Vooropgesteld moet worden dat het ontbreken van aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 niet betekent dat de werkgever onder omstandigheden niet op een andere grond jegens zijn werknemer aansprakelijk kan zijn. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat [eiser], in verband met een door zijn werkgeefster ([verweerster]) aanvaarde opdracht, is aangewezen om met zijn eigen auto het vervoer te verzorgen van zichzelf en enkele mede-werknemers naar de, ver van zijn woonplaats verwijderde, plaats waar zij hun werkzaamheden moesten uitvoeren en dat hij in verband daarmee op grond van de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde CAO-bepalingen een reisurenvergoeding, een autokostenvergoeding en een meerijderstoeslag ontving. In een dergelijk geval moet het vervoer worden gekwalificeerd als vervoer dat op één lijn te stellen is met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Daaruit vloeit voort dat de werkgever, gezien de aard van de arbeidsovereenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW, in beginsel de niet door een verzekering gedekte schade die de werknemer lijdt doordat hij tijdens vervoer als hiervoor bedoeld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, heeft te dragen behoudens in het, zich hier niet voordoende, geval van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

3.5 Uit het voorgaande volgt dat het vonnis van de Rechtbank niet in stand kan blijven, zodat verwijzing moet volgen. De subsidiaire klacht van het tweede middel en het derde middel behoeven geen bespreking. Na verwijzing zal onder meer aan de orde moeten komen (i) of in de aan [eiser] uitbetaalde vergoedingen een bestanddeel is begrepen voor de kosten van een casco-, inzittenden- en ongevallenverzekering, zoals [verweerster] had aangevoerd, en (ii) in hoeverre [eiser] heeft begrepen of had moeten begrijpen dat de door hem ontvangen vergoeding er mede toe strekte premies van door hem te sluiten verzekeringen te dekken.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Breda van 16 mei 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 358,53 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 9 augustus 2002.