Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2108

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
25-06-2002
Zaaknummer
00030/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2108
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 192
NBSTRAF 2002/192
JOL 2002, 371
NJ 2002, 568
VR 2003, 40

Uitspraak

25 juni 2002

Strafkamer

nr. 00030/01

Ats/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 november 2000, nummer 21/001211-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 17 mei 2000 - de verdachte ter zake van "opzettelijk enige handeling door een ambtenaar, bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, belemmeren" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet het misdrijf van art. 184 Sr oplevert, omdat de verdachte zich reeds had vastgeketend voordat de sommatie tot verwijdering was gegeven.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

"dat hij op 8 februari 2000 in de gemeente Bemmel, toen G.J.W. Vaarkamp, belast met de uitoefening van enig toezicht en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, doende was verdachte en anderen te verwijderen van het perceel Wolfhoeksestraat (24), deze door die ambtenaar ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, ondernomen handeling opzettelijk heeft belemmerd door zich op te sluiten in een kelder in een pand op genoemd perceel en zich vast te ketenen aan een blok beton en zich niet aanstonds te verwijderen uit die kelder."

3.3. Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat:

- de verdachte zich in de kelder had opgesloten en zich had vastgeketend aan een betonblok om zijn verwijdering te belemmeren;

- de deurwaarder vervolgens van de bewoners van het pand heeft gevorderd dat zij binnen vijftien minuten het pand verlaten;

- dat de verdachte zich niet heeft verwijderd op genoemde vordering en

- dat na afloop van deze termijn een begin werd gemaakt met de ontruiming.

3.4. Het arrest van het Hof houdt onder meer in:

"Namens verdachte is gesteld dat er geen sprake was van belemmering van de politie in de zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht nu verdachte zich reeds had vastgeketend in de kelder van het pand Wolfhoekseweg 24 te Bemmel voordat de deurwaarder het vonnis tot ontruiming van dit perceel ten uitvoer kwam leggen, en de verwijdering van verdachte van het perceel slechts ongeveer 4 minuten heeft geduurd.

Het hof verwerpt dit verweer. Verdachte wist immers dat, indien hij het pand niet vrijwillig zou verlaten, de deurwaarder hem door de politie uit het pand zou laten verwijderen en hij heeft zich welbewust vastgeketend, met het doel de ontruiming van voormeld pand te bemoeilijken. Voorts is de tijd die de verwijdering van verdachte heeft gekost niet zo kort, dat kan worden gesteld dat verdachte niet in zijn opzet om de ontruiming te bemoeilijken is geslaagd."

3.5. De overwegingen van het Hof geven geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting in aanmerking genomen dat de verdachte zich niet heeft verwijderd na de vordering tot verwijdering, maar volhardde in zijn voornemen de ontruiming te bemoeilijken.

3.6. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede, derde en vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 juni 2002.