Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2095

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-2002
Datum publicatie
05-11-2002
Zaaknummer
01060/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2095
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Opiumwet 1
Opiumwet 1
Opiumwet 2
Opiumwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 589
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 november 2002

Strafkamer

nr. 01060/01

EW/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 oktober 2000, nummer 20/000085-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de bewijsvoering, de kwalificatie en de strafmotivering - bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 oktober 1999, waarbij de verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met onttrekking aan het verkeer zoals in het vonnis omschreven alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 uren, in plaats van zes maanden gevangenisstraf. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, (oud) van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, (oud) van de Opiumwet gegeven verbod".

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. L.J.J. Hamers, advocaat te Breda, en mr. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van mr. A.G. van der Plas op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof het vonnis van de Rechtbank wat de bewezenverklaring betreft ten onrechte heeft bevestigd, omdat de Rechtbank in de aanvulling op haar verkorte vonnis de bewezenverklaring op ontoelaatbare wijze had aangevuld.

3.2. De aanvulling op het verkorte vonnis van de Rechtbank houdt, onder meer, het volgende in:

"Ten aanzien van feit 1:

Bij het op schrift stellen van de bewijsmiddelen is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat in het verkort vonnis bij het vaststellen van de bewezenverklaring via het afstrepen van de dagvaarding een abuis is opgetreden. Als plaats waar het feit is gepleegd heeft de rechtbank abusievelijk aangemerkt "Kerkdriel en/of te Eindhoven", waarbij zij de passage "en/of te Amsterdam" ten onrechte heeft doorgestreept.

De rechtbank herstelt deze omissie en leest de tweede regel van de bewezenverklaring als volgt: "tot en met 17 maart 1997 te Amsterdam"."

3.3. 's Hofs partiële bevestiging van het vonnis van de Rechtbank moet wat betreft de bewezenverklaring aldus worden begrepen dat deze betrekking heeft op de in het verkorte vonnis opgenomen bewezenverklaring, zoals het Hof deze klaarblijkelijk met verbetering van een kennelijke misslag voor wat betreft de plaats van het bewezenverklaarde heeft gelezen in die zin dat het bewezenverklaarde is begaan in Amsterdam.

3.4. Het voorgaande brengt mee dat het middel faalt.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat telkens sprake is van een preparaat in de zin van art. 1, eerste lid onder c, Opiumwet, althans dat het Hof het verweer, inhoudende dat de door de verdachte verkochte gedroogde, gestampte, gemalen en/of in honing en/of wafels verwerkte paddestoelen geen preparaten zijn in de zin van de Opiumwet en het Psychotrope Stoffen Verdrag, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 1995 tot en met 17 maart 1997 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig gehad hoeveelheden en/of een hoeveelheid psilocybine en/of psilocine bevattende preparaten (als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet), zijnde (telkens) middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, bestaande die preparaten (telkens) uit gedroogde en/of gestampte en/of gemalen en/of in honing verwerkte en/of in wafels verwerkte stropharia cubensis en/of copelandia cyanescens."

4.3.1. De bewezenverklaring steunt onder meer op een proces-verbaal van de politie (bewijsmiddel 1), inhoudende als relaas van de verbalisant:

"In dit dossier wordt gesproken over een aantal benamingen voor hallucinogene paddestoelsoorten. Hieronder wordt de juiste benaming en het synoniem weergegeven:

* Psilocybe cubensis; synoniem: Stropharia cubensis, ook wel genoemd de Mexicaanse;

* Copelandia cyanescens; synoniem: Panaeolus

cyanescens, ook wel genoemd de Hawaiaanse.

Uit de literatuur is bekend dat genoemde paddestoelen de stoffen psilocybine/psilocine bevatten."

4.3. Het in het middel bedoelde verweer is door het Hof als volgt weergegeven en verworpen:

"3.1 De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, dat de betreffende paddestoelen, te weten: de Psilocybe Cubensis en de Copelandia Cyanescens, niet onder de Opiumwet vallen en dat de gedroogde, gestampte, gemalen, in honing verwerkte en/of in wafels verwerkte paddestoelen voornoemd geen prepara(a)t(en) zijn in de zin van de Opiumwet en het Psychotrope Stoffen Verdrag.

3.2 Het hof verwerpt (...) dit verweer.

3.3 De betreffende paddestoelen, te weten de Psilocybe Cubensis en de Copelandia Cyanescens bevatten beide van nature de stoffen psilocyne en/of psilocybine. Deze stoffen staan vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I onder C, welke lijst is genaamd "Substanties, voorkomende op de lijst I behorend bij het Psychotrope Stoffen Verdrag". De paddestoelen zelf staan niet vermeld op een bij de Opiumwet behorende lijst.

3.4 Paddestoelen zijn vruchtlichamen van schimmels, die als micro-organismen worden aangemerkt (conform paragraaf 6 van de conclusie van AG Machielse bij de beschikking van de Hoge Raad der Nederlanden van 18 november 1998, NJ 1998, 213) en zijn derhalve een substantie in de zin van artikel 1 van de Opiumwet.

3.5 In de beschikking van de Hoge Raad der Nederlanden betreffende Qat, NJ 1995, 292, en zijn beschikking betreffende paddestoelen, NJ 1998, 213, heeft de Hoge Raad der Nederlanden de volgende uitleg gegeven aan de systematiek van de in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet vervatte verboden in samenhang met de bij de Opiumwet behorende lijsten I en II.

In de beschikking aangaande paddestoelen (NJ 1998, 213) stelde de Hoge Raad der Nederlanden onder de punten 4.3.2 en 4.3.3:

De lijsten I en II vermelden een aantal substanties, alsmede preparaten die een of meer substanties bevatten. De evenbedoelde lijsten vermelden onder de aldaar opgesomde substanties slechts enkele planten of delen van planten. Voorzover op die lijsten naast bepaalde substanties wel preparaten zijn vermeld, doch niet de planten of delen van planten waarin die substanties van nature voorkomen, vloeit daaruit voort dat de in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet vervatte verboden geen betrekking hebben op die niet vermelde planten of delen van planten.

3.6 Op grond daarvan is het hof van oordeel, dat de paddestoelen als zodanig niet vallen onder de verbodsbepalingen van artikel 2 of 3 van de Opiumwet.

Deze uitleg strookt met die van het Psychotrope Stoffen Verdrag (Verdrag van 21 februari 1971, Trb. 1989, 129) blijkens het daarop gegeven commentaar, aangehaald door AG Machielse in zijn conclusie bij de beschikking van de Hoge Raad der Nederlanden, NJ 1998, 213. Het commentaar (Commentary on the Convention on Psychotropic Substances done at Vienna on 21 february 1971, United Nations New York, 1976/CN 7/589) stelt op pagina 385:

"Plants as such are not, - it is submitted - are also not likely to be, listed in Schedule I, but only some products obtained from plants. Article 7 therefore does not apply to plants as such from which substances in Schedule I may be obtained, nor does any other provision of the Vienna Convention. Moreover, the cultivation of plants from which psychotropic substances are obtained is not controlled by the Vienna Convention. (...)

The inclusion in Schedule I of the active principle of a substance does not mean that the substance itself is also included therein if it is a substance clearly distinct from the substance constituting its active principle. This view is in accordance with the traditional understanding of that question in the field of international drug control. Neither the crown (fruit, mescal button) of the Peyote cactus (...) nor Psilocybe mushrooms themselves are included in Schedule I, but only their respective active principles, mescaline (...) and psilocybine (psilocine, psilotsin)."

Aan bedoeld commentaar kan voorts worden ontleend dat het kweken van planten die psychotrope stoffen bevatten geen vervaardiging ("manufacture") van die psychotrope stoffen is in de zin van het Psychotrope Stoffen Verdrag, ook niet indien gekweekt wordt met het oog op de in die substanties aanwezige psychotrope stoffen:

"Cultivation of plants for the purpose of obtaining psychotropic substances or raw materials for the manufacture of such substances is not "manufacture" in the sense of article 1, paragraph (1). (...) The harvesting of psychotropic substances, i.e. a separation of such substances from the plants from which they are obtained, is "manufacture" (Commentary, pagina 25).

Van vervaardigen kan gelet op het vorenstaande eerst worden gesproken indien de psychotrope stoffen van de plant worden afgescheiden.

3.7 Ingevolge het Psychotrope Stoffen Verdrag is iedere verdragspartij verplicht -kort gezegd- om ieder gebruik van de stoffen vermeld op lijst I bij het verdrag te verbieden (artikel 7).

Behoudens hier niet relevante uitzonderingen is een preparaat onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de psychotrope stof die het bevat (artikel 3, eerste lid, van het verdrag). Onder preparaat wordt verstaan (artikel l, sub f, van het verdrag):

1. iedere oplossing of mengsel, in wat voor fysische toestand dan ook, één of meer psychotrope stoffen bevattende;

2. één of meer psychotrope stoffen in gedoseerde vorm.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de betreffende paddestoelen zelf niet onder de werking van het Psychotrope Stoffen Verdrag vallen, maar de preparaten van deze psychotrope stoffen bevattende paddestoelen wèl.

3.8 In zijn beschikking voornoemd (NJ 1998,213), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit het Psychotrope Stoffen Verdrag en het Commentaar op dat verdrag moet worden afgeleid dat paddestoelen als waarvan hier sprake is slechts dan niet onder de op lijst I onder C vermelde middelen vallen, indien deze niet enigerlei bewerking hebben ondergaan, zoals drogen, stampen, malen en verwerking bijvoorbeeld in etenswaren. Het hof is op grond van dat oordeel van de Hoge Raad der Nederlanden van mening dat de betreffende paddestoelen voornoemd door bewerking een preparaat worden in de zin van het Psychotrope Stoffen Verdrag en de Opiumwet.

3.9 Blijkens de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen zijn de betreffende paddestoelen gekweekt, uit het kweekbed verwijderd en op matten en/of netten uitgespreid in een ruimte waarin door middel van klimaatbeheersing de temperatuur kunstmatig hoog werd gehouden en de vochtige lucht door middel van een ventilator werd afgevoerd. Aldus is er sprake geweest van bewust gecreëerde condities om het droogproces te bevorderen. Dit droogproces strekte ter conservering van de paddestoel, zulks met het oog op de consumptie van de psychotrope stoffen in die paddestoel. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat reeds het uit het kweekbed verwijderen en het ter droging op matten en/of netten uitspreiden van de geoogste paddestoelen een bewerking is die tot gevolg heeft dat de paddestoel een preparaat wordt in de zin van het Psychotrope Stoffen Verdrag en de Opiumwet. De omstandigheid dat door droging enkel vocht aan de paddestoel wordt onttrokken doet daaraan niet af, nu deze handelingen waren gericht op de conservering van de paddestoel ten behoeve van de latere consumptie van die paddestoel vanwege de daarin aanwezige psychotrope stoffen.

3.10 De omstandigheid, dat niet zou kunnen worden vastgesteld of een paddestoel vers of droog is, doet niet ter zake omdat reeds als de paddestoel is geplukt en elders te drogen wordt neergelegd er naar het oordeel van het hof sprake is van enigerlei bewerking, leidend tot een preparaat in de zin van de Opiumwet."

4.4. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de uitleg van de Opiumwet die de Hoge Raad in zijn beschikking van 18 november 1997 (NJ 1998, 213) heeft gegeven en die inhoudt dat paddestoelen als waarvan hier sprake is slechts dan niet onder de op lijst I onder C van de bij de Opiumwet behorende lijst vermelde verboden middelen vallen indien deze niet enigerlei bewerking hebben ondergaan onjuist is, omdat deze uitleg in strijd is met het Psychotrope Stoffen Verdrag (Verdrag van 21 februari 1971, Trb. 1989, 129).

4.5. Die opvatting is evenwel niet juist. Het Hof heeft in zijn onder 4.3 vermelde oordeel, waarin het de bedoelde uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven volgt, dan ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Het oordeel van het Hof dat de desbetreffende gedroogde, gestampte, gemalen, in honing en/of in wafels verwerkte paddestoelen als preparaten in de zin van de Opiumwet vallen aan te merken is voorts niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Het behoefde ook geen nadere motivering.

4.6. Daarop stuit het middel af.

5. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, A.J.A. van Dorst en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 5 november 2002.