Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2033

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2002
Datum publicatie
29-07-2002
Zaaknummer
01039/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2033
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 249, geldigheid: 2002-06-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 211
NBSTRAF 2002/211
JOL 2002, 403

Uitspraak

11 juni 2002

Strafkamer

nr. 01039/01

HJH/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 16 januari 2001, nummer 21/001366-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 21 april 2000 - de verdachte ter zake van "ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige; meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 140 uren, in plaats van drie maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen met niet-ontvankelijk verklaring voor het overige, een en ander als in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof door bewezen te verklaren dat de verdachte ontucht heeft gepleegd met de "aan zijn opleiding toevertrouwde" minderjarige een onjuiste betekenis heeft toegekend aan die aan art. 249, eerste lid, Sr ontleende term.

3.2. De bestreden uitspraak houdt onder meer in dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard dat:

"hij op tijdstippen op 26 en 27 mei 1999 te Arnhem, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1981, hierin bestaande dat verdachte telkens opzettelijk ontuchtig de borsten en/of de vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of zijn penis heeft laten betasten en/of zich door die [slachtoffer] heeft laten aftrekken."

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 2 januari 2001 is aldaar door de raadsman het volgende verweer gevoerd:

"[slachtoffer] was niet aan de zorg van mijn cliënt toevertrouwd. De wetgever heeft met "een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige" uitdrukkelijk gedoeld op een leraar, docent of stagebegeleider. [slachtoffer] was niet aan de zorg of opleiding van [verdachte] toevertrouwd; zij liep gewoon met cliënt mee. Er is geen sprake geweest van kennisoverdracht of beoordeling. Cliënt liet alleen zien hoe het afval wordt gescheiden. (...)"

3.4. Het Hof heeft dienaangaande in een nadere bewijsoverweging het volgende geoordeeld:

"Het Hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het begeleiden van een stagiaire valt onder "opleiding", namelijk in het kader van een opleiding onder zijn begeleiding doen kennismaken met door de begeleider verrichte werkzaamheden."

3.5. De in art. 249, eerste lid, Sr opgenomen opsomming van door hun hoedanigheid ten opzichte van de dader aangeduide minderjarigen, met wie het plegen van ontucht in deze bepaling strafbaar wordt gesteld, wordt hierdoor gekenmerkt dat die hoedanigheid telkens een min of meer grote mate van afhankelijkheid van de dader meebrengt, en dat de dader daaraan een zeker overwicht tegenover die minderjarigen kan ontlenen. De strekking van evengenoemde bepaling is dan ook bescherming te verlenen aan minderjarigen die als gevolg van die afhankelijkheid en dat overwicht minder weerstand aan de dader kunnen bieden dan anderen (HR 26 juni 1990, NJ 1991, 95). Of van een hoedanigheid als hier bedoeld sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval.

3.6. Blijkens de motivering van de bewezenverklaring heeft het Hof vastgesteld dat het 17-jarige slachtoffer in het kader van haar (MEAO)opleiding gedurende een aantal maanden stage liep op verschillende afdelingen van een ziekenhuis. Daartoe behoorde gedurende een aantal dagen ook de afdeling "afval", alwaar de 48-jarige verdachte werkzaam was. Het slachtoffer liep in het kader van die stage met hem mee en zij kreeg van hem uitleg. In die dagen heeft de verdachte de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen met haar gepleegd.

3.7. Het Hof heeft daaruit kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat het minderjarige slachtoffer gedurende die dagen onder de hoede en begeleiding van de verdachte stond waardoor zij - mede omdat het welslagen van ook dit onderdeel van haar stage voor het voltooien van haar opleiding van belang zou kunnen zijn - zich tegenover de veel oudere verdachte in een afhankelijke positie heeft bevonden en zij onvoldoende weerstand heeft kunnen bieden aan diens, aan die afhankelijkheid ontleende, overwicht op haar. Zulks in aanmerking genomen geeft het oordeel dat het slachtoffer aan de opleiding van de verdachte was toevertrouwd in de betekenis die daaraan in art. 249, eerste lid, Sr toekomt geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.8. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen andere grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 juni 2002.