Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE1743

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2002
Datum publicatie
29-07-2002
Zaaknummer
02111/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE1743
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2002-06-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 208
NBSTRAF 2002/208

Uitspraak

11 juni 2002

Strafkamer

nr. 02111/01

HJH/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 mei 2001, nummer 20/002935-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Geerhorst" te Sittard.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 16 november 2000 bevestigd behoudens de bewijsvoering, de overweging omtrent de strafbaarheid, de opgelegde straf en de strafmotivering en verdachte ter zake van "moord" veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf en waarbij is bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat er sprake was van de voor de bewezenverklaarde moord vereiste voorbedachte raad.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode van 14 december 1997 tot en met 19 december 1997 in de gemeente Heerlen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] meermalen met een hamer tegen en/of op haar hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

3.3. Zoals de Hoge Raad, in navolging van eerdere jurisprudentie, heeft geoordeeld in zijn arrest van 27 juni 2000, NJ 2000,605 is voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in deze zaak in de op moord toegesneden primaire tenlastelegging en de bewezenverklaring nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

3.4.1. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte, na het slachtoffer in de slaapkamer te hebben geslagen, die slaapkamer, na zich te hebben aangekleed, is uitgelopen en vervolgens, zodra hij in het direct aan die kamer grenzende portaal was gekomen, een hamer heeft gepakt, waarna hij is teruggelopen en het slachtoffer met die hamer van het leven heeft beroofd.

3.4.2. Tot het bewijs heeft het Hof mede gebezigd een schriftelijk bescheid inhoudende als verklaring van de verdachte onder meer: "Ik was ook van plan haar te doden en wel vanaf het moment waarop ik de hamer zag en vastgegrepen heb. Volgens mijn herinnering heb ik ook gedacht, zij heeft het niet anders gewild. Ik bedoel hiermee, dat zij heeft gewild, dat ik uitraasde."

3.5. Op grond van het voorgaande heeft het Hof kunnen oordelen dat de levensberoving door de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging maar dat voor hem de gelegenheid heeft bestaan als hiervoor onder 3.3 bedoeld. Daaraan doet niet af dat, zoals het middel aanvoert, die gelegenheid slechts gedurende korte tijd zou hebben bestaan. Dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg kan derhalve uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

3.6. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 11 juni 2002.