Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE1547

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
C01/343HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE1547
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 57
Faillissementswet 182
Invorderingswet 1990 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 425
NJ 2002, 437 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RvdW 2002, 125
TvI 2002, p. 331 met annotatie van H.M. Koster
V-N 2002/38.33 met annotatie van Redactie
JWB 2002/266
JOR 2002/179 met annotatie van NEDF
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juli 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/343HR

WS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Mr. Robert VERDONK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van H.S.B. ROTSTERHAULE B.V., kantoorhoudende te Heerenveen,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ ONDERNEMINGEN HEERENVEEN, gevestigd te Heerenveen,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. H.D.O. Blauw.

1. Het geding in feitelijke instantie

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploit van 28 december 2000 eiser tot cassatie - verder te noemen: de curator - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(a) te verklaren voor recht dat de Ontvanger zich op grond van zijn bodemvoorrecht in dit faillissement kan verhalen op de volledige (netto-)opbrengst van de verpande bodemzaken en

(b) de curator te veroordelen om daarmee bij de definitieve afwikkeling van het faillissement rekening te houden.

De curator heeft de vordering bestreden en zijnerzijds in voorwaardelijke reconventie - uitsluitend voor het geval de vordering van de Ontvanger in conventie wordt afgewezen - vorderingen ingesteld die in cassatie niet meer van belang zijn.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 29 augustus 2001 in conventie de vordering toegewezen en in voorwaardelijke reconventie vastgesteld dat de aan de reconventionele vorderingen verbonden voorwaarde niet is vervuld.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft de curator op de voet van art. 398, aanhef en onder 2°, Rv. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 29 mei 1997 is de besloten vennootschap H.S.B. Rotsterhaule B.V. in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Verdonk tot curator. In het faillissement is door de Ontvanger een ingevolge art. 21 lid 1 Iw 1990 preferente vordering wegens loonheffing en omzetbelasting ingediend, die in totaal ƒ 258.658,46 beloopt. Voor deze vordering geldt tevens het in art. 21 lid 2, tweede volzin, Iw 1990 geregelde bodemvoorrecht.

(ii) De opbrengst van de aan de bank stil verpande bodemzaken beloopt in totaal ƒ 30.000,--. De opbrengst van de niet met zekerheidsrechten van derden belaste activa ('het vrije boedelactief') beloopt in totaal ƒ 278.045,47. De boedelschulden belopen in totaal ƒ 208.093,17.

(iii) De curator heeft in het concept van het financieel eindverslag van 1 november 2000, waarin hij het hiervoor onder (ii) genoemde bedrag van ƒ 30.000,-- onder het actief en onder de boedelschulden heeft gerangschikt, voor zover van belang het volgende opgenomen:

"Verdeling in het faillissement van vennootschap HSB Rotsterhaule B.V. te Heerenveen

1. Fiscus

De vordering van de fiscus, preferent ex art. 21 Invord. Wet 1990, gelijk in rang met de bedrijfsvereniging bedraagt ƒ 258.658,46

2. Bedrijfsvereniging

De premievordering van de bedrijfsvereniging, preferent ex art. 16 Coord. Wet SV, gelijk in rang met de fiscus, bedraagt ƒ 48.621,92

ƒ 307.280,38

Dit verhoudt zich in percentages:

1. Fiscus 84,2%

2. Bedrijfsvereniging 15,8%

100,0%

Het actief na voldoening van de boedelschulden bedraagt ƒ 69.952,30

Derhalve uit te keren aan:

1. Fiscus ƒ 58.883,53

2. Bedrijfsvereniging ƒ 11.068,77

ƒ 69.952,30"

3.2.1 Het gaat in dit geding om de vraag wat moet worden verstaan onder het begrip "de opbrengst van de onbelaste goederen" of "het vrije actief" als bedoeld in rov. 4.1.3 onderscheidenlijk 4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1998, nr. 16838, NJ 1998, 745. De Ontvanger heeft aangevoerd dat onder het vrije of onbelaste actief van de boedel die opbrengst dient te worden verstaan die ook daadwerkelijk voor de voldoening van de vorderingen van de Ontvanger beschikbaar komt, derhalve de (netto-)opbrengst van de onbelaste goederen, die eerst verkregen kan worden na aftrek van de algemene faillissementskosten. De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van de vraag of bevoorrechte belastingvorderingen uit het vrije actief kunnen worden voldaan, de omslag van de faillissementskosten buiten aanmerking moet blijven. De Rechtbank heeft de zienswijze van de Ontvanger juist bevonden en zijn daarop gegronde vordering, zoals hiervoor in 1 nader omschreven, toegewezen.

3.2.2 Hetgeen de Rechtbank daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. Als regel geldt dat in geval van uitwinning van goederen van een schuldenaar de netto-opbrengst van de uitgewonnen goederen onder de (executerende) schuldeisers overeenkomstig de onderlinge rangorde van hun vorderingen wordt verdeeld. Hierbij dient onder de netto-opbrengst te worden verstaan de verkoopopbrengst verminderd met de kosten van executie. Dit geldt zowel in als buiten faillissement; in het eerste geval kunnen de boedelschulden als kosten van executie worden aangemerkt (rov. 3.1). Dit brengt mee dat de Ontvanger, na aftrek van hetgeen hij uit de netto-opbrengst van het vrije actief heeft verkregen, voor het restant van zijn vordering aanspraak kan maken op de opbrengst - de verkoopopbrengst verminderd met de (executie)kosten - van de verpande bodemzaken. De opvatting van de curator dat vóór de omslag van de algemene faillissementskosten moet worden beoordeeld of de fiscale vorderingen uit het vrije actief kunnen worden voldaan, is met het in rov. 3.1 beschreven stelsel van de wet in strijd. Dat dit stelsel leidt tot een inbreuk op de separatistenpositie van de bank als bezitloos pandhouder, is niet ontoelaatbaar, aangezien die inbreuk haar wettelijke basis vindt in art. 21 lid 2, tweede volzin, Iw 1990 (rov. 3.2).

3.3 Het middel klaagt dat de Rechtbank heeft miskend dat de hiervoor bedoelde inbreuk op de positie van de pandhouder als separatist verder gaat dan strikt noodzakelijk is, en dat een zo ver gaande inbreuk dat de pandhouder ook meedeelt in de faillissementskosten niet door art. 21 lid 2 Iw 1990 wordt gelegitimeerd. Het middel faalt, omdat het oordeel van de Rechtbank juist is, zoals volgt uit art. 21 lid 2 Iw 1990, in verbinding met art. 57 lid 3 en art. 182 Fw. De Rechtbank behoefde zich niet van haar oordeel te laten weerhouden door de omstandigheid dat, naar het middel nog betoogt, haar opvatting "curatoren voor schier onoplosbare, althans in elk geval zeer gecompliceerde rekenkundige puzzels plaatst". Ook al moet worden aangenomen dat de berekening van met name de omslag van de algemene faillissementskosten over het vrije actief en over datgene wat de Ontvanger uit de opbrengst van de stil verpande bodemzaken ontvangt, enige rekenkundige vaardigheid vereist, niet kan worden gezegd dat deze berekening onuitvoerbaar of onaanvaardbaar ingewikkeld is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 301,85 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 juli 2002.