Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE1535

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
37051
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE1535
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/136 met annotatie van I.J.J. Burgers
FED 2002/722
FED 2003/36
WFR 2002/1843, 2
V-N 2003/4.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 37.051

6 december 2002

JMH

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 februari 2001, nr. P99/3042, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 3.377.410, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 3.246.389. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal L.F. van Kalmthout heeft op 7 maart 2002 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is opgericht op 14 mei 1993 als een onderdeel van A N.V.. Haar werkzaamheid bestaat uit het verzekeren van arbeidsongeschiktheids- en ongevallenrisico's voor onder meer Nederlandse verzekeraars, pensioenfondsen en arbeidsongeschiktheidsfondsen. Belanghebbende heeft door middel van novatie de arbeidsongeschiktheids- en ongevallencontracten van A N.V. overgenomen en heeft voorts een effectenportefeuille van haar verkregen die voornamelijk bestond uit obligaties.

3.1.2. Belanghebbende wenst vanaf 1993 de vastrentendewaarde-effecten te waarderen volgens een systeem dat zij aanduidt als waardering tegen de amortisatiewaarde. Dit systeem houdt in dat de obligaties die boven pari zijn gekocht worden gewaardeerd op de kostprijs verminderd met een lineaire afschrijving op het agio - waarmede wordt bedoeld het verschil tussen de aanschaffings- en aflossingswaarde van de obligaties - over de resterende looptijd van de obligaties of, indien deze lager is, op de beurskoers. De Inspecteur wenst de desbetreffende effecten niet lager te waarderen dan op de kostprijs of de lagere beurswaarde.

3.2. Het Hof heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat ten tijde van de verwerving of op de balansdatum het voornemen bestond het pakket obligaties aan te houden tot de aflossingsdatum. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat in het door belanghebbende bepleite stelsel de last van hetgeen voor de obligaties boven de nominale waarde is betaald, het agio, verbonden wordt aan de jaarlijkse couponrente, voorzover die rente meer bedraagt dan de ten tijde van de verwerving van de obligaties geldende marktrente, dat dit stelsel daarom in overeenstemming is met goed koopmansgebruik en dat voor het toepassen van dit stelsel geen betekenis toekomt aan de omstandigheid dat belanghebbende de obligaties niet aanhoudt tot de aflossingsdatum en dat kennelijk ook niet beoogt.

3.3.1. Het middel richt zich tegen dit oordeel met - kort samengevat - het betoog dat het verlies van het boven de nominale waarde van een obligatie betaalde bedrag pas aan een jaar kan worden toegerekend indien en voor zover dit verlies geleden is en dat dit niet het geval is indien de obligatie niet wordt aangehouden tot de aflossing en de beurswaarde niet is gedaald onder de verwervingswaarde van de obligatie.

3.3.2. Het middel slaagt. Een afwaardering van obligaties op een bedrag beneden de beurswaarde is alleen dan niet in strijd met goed koopmansgebruik indien, doordat aangenomen mag worden dat de belastingplichtige de desbetreffende obligaties tot de aflossing zal aanhouden, voor de berekening van de jaarwinst aan die beurskoers geen betekenis toekomt. Indien echter, zoals in het onderhavige geval, niet aangenomen mag worden dat de obligaties tot de aflossing worden aangehouden, zou bij een afschrijving van het agio tot een zodanig bedrag dat de obligaties worden gewaardeerd beneden de beurskoers, een verlies tot uitdrukking worden gebracht dat in dat jaar in feite niet is geleden. Aldus zou gehandeld worden in strijd met het beginsel dat verliezen en winsten tot uitdrukking dienen te worden gebracht in het jaar waarop zij betrekking hebben.

3.3.3. Uit hetgeen in punt 3.3.2 is overwogen volgt dat het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2002.