Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE1487

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2002
Datum publicatie
11-06-2002
Zaaknummer
01317/01 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE1487
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 51, geldigheid: 2002-06-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 336
NJ 2002, 582

Uitspraak

11 juni 2002

Strafkamer

nr. 01317/01 P

AG/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 oktober 1998, nummer 22/005105-97, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Schie" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 29 april 1997 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 450.000,-, subsidiair 36 maanden hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend voorzover daarin het door betrokkene aan de Staat te betalen bedrag is vastgesteld en het aantal dagen hechtenis is bepaald dat bij gebreke van volledige betaling of volledig verhaal tenuitvoergelegd zal kunnen worden, dat de Hoge Raad het door de betrokkene aan de Staat te betalen bedrag zal verminderen opdat de inbreuk op zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn naar behoren zal zijn gecompenseerd, met overeenkomstige vermindering van het aantal dagen vervangende hechtenis, en dat de Hoge Raad het beroep voor het overige zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2. De betrokkene heeft op 26 oktober 1998 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 28 juni 2001 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. De zaak is ter

terechtzitting van de Hoge Raad van 26 februari 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat

de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

3.3. Het voorgaande brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

3.4. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van deze termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de betrokkene heeft bij niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn ontnemingsvordering nadat die termijn is overschreden, moet, mede in aanmerking genomen de totale duur van de procedure in drie instanties, eerstgenoemd belang prevaleren en vermindering worden toegepast van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting en de duur van de vervangende hechtenis. Bij het bepalen van die vermindering is van belang dat sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid van art. 6 EVRM in verband met het toegepaste detentieregiem bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in de hoofdzaak.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit het arrest van het Hof blijkt van een onderzoek naar de onverklaarde afwezigheid van de raadsvrouwe van de betrokkene, waarbij het middel blijkens de toelichting doelt op haar afwezigheid op de terechtzitting van 30 september 1998, en dat het Hof de behandeling van de zaak ten onrechte toen niet (opnieuw) heeft aangehouden.

4.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 20 mei 1998 houdt in dat de - gedetineerde - betrokkene schriftelijk afstand heeft gedaan van zijn recht om op die terechtzitting aanwezig te zijn en voorts, voorzover hier van belang:

"De veroordeelde, opgeroepen als (...) is niet verschenen.

De raadsvrouw, van veroordeelde, mr I.N. Weski, advocaat te Rotterdam is niet verschenen.

(...)

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van een faxbericht van de raadsvrouw van verdachte, mr I.N. Weski, advocaat te Rotterdam, d.d. 1 mei 1998 houdende een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

De voorzitter deelt voorts mede dat het hof het openbaar ministerie in de gelegenheid stelt om binnen maximaal twee maanden na heden of zoveel eerder een schriftelijke toelichting op de vordering van het openbaar ministerie aan het hof en de verdediging over te leggen.

Op de schriftelijke toelichting van het openbaar ministerie dient de verdediging eveneens binnen maximaal twee maanden na heden of zoveel eerder, dat wil zeggen vóór 20 september 1998 schriftelijk aan het hof en het openbaar ministerie te reageren.

Het hof zal na de fournering van de stukken de zaak ter openbare terechtzitting behandelen op 30 september 1998 te 15.00 uur.

Het hof, gehoord de procureur-generaal, schorst hierop het onderzoek tot 30 september 1998 te 15.00 uur, met bevel tot oproeping van veroordeelde en diens raadsvrouw mr I.N. Weski, alsmede een tolk in de Turkse taal, tegen voormelde terechtzitting en stelt de stukken ter fine als voormeld daartoe in handen van de procureur-generaal."

4.2.2. Op dit proces-verbaal is de volgende geparafeerde mededeling geplaatst:

"Copie naar Weski 22/6/98."

4.2.3 . Het faxbericht van de raadsvrouwe, waarbij zij om aanhouding heeft verzocht, bevindt zich bij de stukken van het geding en houdt onder meer in dat zij nog niet over alle stukken beschikt en alsnog om toezending daarvan verzoekt.

4.2.4. De oproeping van de betrokkene om te verschijnen op de terechtzitting van 30 september 1998 is aan hem in persoon betekend op 16 juli 1998. Die oproeping vermeldt als raadsvrouwe I.N. Weski, Westersingel 43 te Rotterdam, maar noch uit een aantekening op die oproeping zelf noch uit enig ander stuk kan blijken dat een afschrift van die oproeping aan de raadsvrouwe is toegezonden, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat dit, in strijd met het bepaalde in art. 51, tweede volzin, Sv, niet is geschied.

4.2.5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 september 1998 houdt in dat aldaar noch de betrokkene noch de raadsvrouwe zijn verschenen, dat de voorzitter mededeelt dat de betrokkene door middel van een afstandsverklaring afstand heeft gedaan van zijn recht om op de "ontnemingszitting" te verschijnen, en dat het Hof, na het onderzoek in verband met een gewijzigde samenstelling opnieuw te hebben aangevangen, de behandeling van de zaak bij verstek heeft voortgezet en voltooid.

4.3. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de raadsvrouwe door toezending aan haar van het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 mei 1998, waarin het tijdstip van de nadere behandeling is vermeld, van dat tijdstip op de hoogte was. Dat oordeel, waarin ligt besloten dat dat proces-verbaal de raadsvrouwe ook heeft bereikt, is niet onbegrijpelijk, gelet op de hiervoor onder 4.2.2 genoemde, op dat proces-verbaal gestelde aantekening en in aanmerking genomen dat uit de stukken niet kan blijken dat de raadsvrouwe, van wie immers mocht worden gevergd dat zij zich op de hoogte stelde van de beslissing op het verzoek tot aanhouding, ten vervolge op haar eerdere verzoek om toezending van processtukken, alsnog om toezending van dat proces-verbaal heeft verzocht.

4.4. In aanmerking genomen dat het in de tweede volzin van art. 51 Sv vervatte voorschrift in geval van een oproeping als waarvan hier sprake is ertoe strekt dat de raadsman van het tijdstip van de nadere behandeling van de zaak ter terechtzitting wordt verwittigd, stond, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, de hiervoor onder 4.2.4 vastgestelde schending van art. 51 Sv niet in de weg aan een rechtsgeldige behandeling van de zaak.

4.5. Het middel faalt dus.

5. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de duur van de vervangende hechtenis;

Vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 160.000,- bedraagt;

Vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 22 maanden bedraagt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 juni 2002.