Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE1336

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
01-11-2002
Zaaknummer
00981/01 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE1336
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Reglement zee- en kustvisserij 1977 3
Wetboek van Strafrecht 1
Visserijwet 1963 3a
Regeling technische maatregelen 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 627
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 september 2002

Strafkamer

nr. 00981/01 E

AG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 18 december 2000, nummer 21/000803-99, in de strafzaak tegen:

De vennootschap onder firma [verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 1 februari 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3a van de Visserijwet 1963" veroordeeld tot een geldboete van f. 10.000,-.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.C. Huisman, advocaat te Zwolle, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat rekening dient te worden gehouden met verandering van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr ten onrechte heeft verworpen en de bewezenverklaarde gedraging ten onrechte strafbaar heeft geoordeeld, althans zijn beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 23 februari 1998 tot en met 27 februari 1998 in één van de gebieden of zones vermeld in de bijlage I van de Verordening (EG) nr. 894/97 van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1997 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (Pb EG L 132), te weten de Noordzee, ten zuiden van 55 graden noorderbreedte, met het vissersvaartuig [...] met één of meer sleepnetten waarvan de maaswijdte minder dan 100 millimeter bedroeg, heeft gevist en/of deze aan boord heeft gehad, terwijl de vangst met dat/die net(ten) die zich aan boord van dat vaartuig bevond niet omvatte het percentage beschermde soorten dat het in bijlage I voor de referentieminimummaaswijdte gespecificeerde percentage niet overschreed, namelijk bestond toen aldaar de vangst met dat/die net(ten) die zich aan boord van dat vaartuig bevond uit meer dan het voor kabeljauw vermelde maximumpercentage van 10%."

3.3. Het Hof heeft het namens de verdachte in hoger beroep gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Namens verdachte is betoogd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 telastegelegde niet strafbaar is nu op 30 maart 1998 een wijziging is ingevoerd in de Regeling technische maatregelen, deze wijziging getuigt van gewijzigd inzicht van de wetgever en de argumentatie voor deze wijziging reeds eind 1997 was geformuleerd.

In verband met Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van de Europese Unie van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen diende de Regeling technische maatregelen te worden gewijzigd. In de toelichting op deze wijziging staat vermeld dat de doelstellingen die in de oude Verordening (EG) nr. 894/97 werden nagestreefd niet veranderen met de komst van de nieuwe verordening en van een verandering van inzicht geen sprake is. Met de nieuwe Verordening wordt immers ook getracht jonge vis te beschermen en ongewenste bijvangsten te verminderen.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het feit."

3.4. Ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit waren de volgende bepalingen van kracht.

(i) Art. 3a, eerste lid, Visserijwet 1963:

"Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde verplichtingen of verleende bevoegdheden regelen worden gesteld in het belang van de visserij."

(ii) Art. 3, eerste lid, aanhef en onder a, Reglement zee- en kustvisserij 1977:

"In het belang van de visserij is Onze Minister bevoegd regelen te stellen:

a. ter uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde verplichtingen of bevoegdheden;"

(iii) Art. 2 Regeling technische maatregelen (Stcrt. 1998, 248):

"1. Het is verboden met sleepnetten, Deense zegennetten of soortgelijke netten, geankerde kieuwnetten, warnetten of schakels te vissen of deze aan boord te hebben.

2. De in het eerste lid genoemde verboden gelden niet voor de gevallen voorzien in artikel 2, eerste, zevende, negende en tiende lid, van verordening nr. 894/97.

(...)."

(iv) Art. 2, eerste lid, van de Verordening EG nr. 894/97 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden van 29 april 1997 (Pb EG 1997, L 132):

"Voor elk van de in bijlage I genoemde geografische gebieden of zones en, in voorkomend geval, voor het overeenkomstige tijdvak en motorvermogen is het verboden sleepnetten, Deense zegennetten (snurrevod) of soortgelijke netten te gebruiken, behalve wanneer de maaswijdte in het gedeelte van het net met de kleinste mazen gelijk is aan of groter is dan een van de in die bijlage genoemde maaswijdten, hierna te noemen referentieminimummaaswijdten, en behalve wanneer de vangst met het net dat zich aan boord bevindt, omvat:

- een percentage toegestane doelsoorten gelijk aan of groter dan het percentage gespecificeerd in bijlage I voor de referentieminimummaaswijdte;

- een percentage beschermde soorten dat het in bijlage I voor de referentieminimummaaswijdte gespecificeerde percentage niet overschrijdt.

In afwijking van het bepaalde in de eerste alinea mag het minimumpercentage van de doelsoorten worden bereikt door de hoeveelheden van alle gevangen doelsoorten samen te voegen, mits:

- het doelsoorten zijn waarvoor het maximumpercentage van beschermde soorten 10% bedraagt;

- het doelsoorten zijn waarvoor de referentieminimummaaswijdte gelijk is aan of kleiner is dan de maaswijdte van het gebruikte net;

- het totale percentage voor alle beschermde soorten tezamen in verhouding tot het totale gewicht van

alle doelsoorten tezamen niet meer dan 10% bedraagt.

(...)".

(v) Bijlage I bij de Verordening EG nr. 894/97 houdt onder meer in:

"Geografische zone: Noordzee, ten zuiden van 55º noorderbreedte;

Minimummaaswijdte (mm): 80

Toegestane doelsoorten: Tong (Solea vulgaris)

Minimumpercentage doelsoorten: 5

Maximumpercentage beschermde soorten: 100 waarvan niet meer dan 10% kabeljauw, schelvis en zwarte koolvis."

3.5. Met ingang van 1 januari 2000 is de Verordening EG nr. 894/97 vervangen door de Verordening EG nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (Pb. EG 1998, L 125). In verband hiermee is de Regeling technische maatregelen met ingang van 1 januari 2000 vervangen door de Regeling technische maatregelen 2000 (Stcrt. 1999, 252). In het middel wordt betoogd dat er sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever, aangezien het maximumpercentage bijvangst voor een soortgelijk geval als het onderhavige onder de Verordening EG nr. 850/98 is verhoogd naar 30%.

3.6.1. De Preambule bij de Verordening EG nr. 850/98 houdt onder meer in:

"(2) Overwegende dat bij de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3094/86 tekortkomingen aan de dag getreden zijn die problemen opleveren bij de toepassing en het afdwingen van de naleving van die verordening, welke tekortkomingen moeten worden gecorrigeerd, met name door het aantal verschillende voorschriften inzake maaswijdten te verminderen, het concept "beschermde soorten" te schrappen en het aantal verschillende maaswijdten van aan boord aanwezige netten te beperken; dat het derhalve gewenst is Verordening (EG) nr. 894/97 van de Raad te vervangen door een nieuwe tekst, met uitzondering van de artikelen 11, 18, 19 en 20."

en

"(4) Overwegende dat een evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds de aanpassing van de technische instandhoudingsmaatregelen aan de uiteenlopende situaties in de verschillende visserijtakken en anderzijds de behoefte aan homogene, gemakkelijk toe te passen regels."

3.6.2. De Toelichting bij de Regeling technische maatregelen 2000 houdt onder meer het volgende in:

"De doelstellingen die in de oude verordening technische maatregelen werden nagestreefd veranderen niet met de komst van de nieuwe verordening en van een verandering van inzicht is geen sprake. Zo wordt ook met de nieuwe verordening getracht jonge vis te beschermen en ongewenste bijvangsten te verminderen."

3.7. Uit de hiervoor weergegeven tekst van de Preambule bij de Verordening EG nr. 850/98 en de Toelichting op de Regeling technische maatregelen 2000 volgt dat aan de wijziging van de wetgeving ten grondslag ligt de mogelijkheid tot een betere handhaving van de voorschriften en dat deze niet voortvloeit uit een verandering van inzicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van vóór de inwerkingtreding van die Regeling gepleegde overtreding van die voorschriften. Het Hof heeft derhalve terecht het verweer verworpen en het bewezenverklaarde gekwalificeerd en strafbaar geoordeeld met toepassing van de bepalingen zoals deze luidden ten tijde van het begaan van het aan de verdachte verweten feit.

3.8. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 september 2002.