Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE1332

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
09-07-2002
Zaaknummer
00772/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE1332
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 20, geldigheid: 2002-07-09
Wetboek van Strafvordering 269, geldigheid: 2002-07-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 185
NBSTRAF 2002/185
JOL 2002, 401
NJ 2002, 498

Uitspraak

9 juli 2002

Strafkamer

nr. 00772/01

EW/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 5 december 2000, nummer 21/001102-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 2 april 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 2. "ontucht plegen met zijn minderjarig kind; meermalen gepleegd" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. D.V.A. Brouwer en mr. J.M. Sjöcrona, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Tevens heeft mr. A.H.J. Damminga, advocaat te IJsselmuiden, namens de verdachte bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof ter berechting en afdoening.

3. Beoordeling van het middel voorgesteld door mr. Brouwer en mr. Sjöcrona

3.1. Het middel bevat de klacht dat de terechtzitting van het Hof van 19 september 2000 in strijd met art. 6 EVRM niet in haar geheel openbaar is geweest, althans dat het Hof de sluiting der deuren heeft bevolen zonder daartoe overeenkomstig art. 20 (oud) RO en art. 269 Sv telkens een opgave te hebben gedaan van de gewichtige redenen.

3.2. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt, voorzover van belang, in:

"De voorzitter deelt mede dat mw mr Bon-Moors namens de getuige [getuige 1] schriftelijk heeft verzocht deze getuige achter gesloten deuren te horen.

De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven:

(...) Ik heb geen bezwaar tegen ontruiming van de publieke tribune. Ik ben van mening dat verdachte, zijn raadsman en de getuige-deskundigen bij het horen van de getuige aanwezig moeten zijn.

De advocaat-generaal merkt op, zakelijk weergegeven:

De aangeefster heeft moeite met het vertellen van haar ervaringen. Mede gelet op het belang van de waarheidsvinding acht ik het noodzakelijk haar in een zo klein mogelijk gezelschap te horen.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de getuige [getuige 1], gelet op haar psychiatrisch verleden en de moeite die zij heeft met spreken in grotere gezelschappen, in het belang van de waarheidsvinding, buiten aanwezigheid van het publiek zal worden gehoord. Nu het hof het wenselijk acht dat de beide getuige-deskundigen kunnen worden gehoord over de verklaring die de getuige [getuige 1] zal afleggen en het hof het wenselijk acht dat haar eventueel naar aanleiding van de verklaringen van de getuige-deskundigen aanvullende vragen kunnen worden gesteld, zullen ook de beide getuige-deskundigen buiten aanwezigheid van het publiek worden gehoord.

(...)

De voorzitter verzoekt het publiek de zaal te verlaten. Het publiek verlaat hierop de zaal der terechtzitting.

(...)

Nadat het publiek in de zaal der terechtzitting is teruggekeerd, wordt zij door de voorzitter onmiddellijk onderricht omtrent hetgeen in hun afwezigheid is voorgevallen.

Het onderzoek ter terechtzitting wordt hierna voortgezet.

(...)

De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven:

Ik verzoek het hof mijn cliënt buiten aanwezigheid van het publiek te ondervragen over de afwijking die hij heeft aan zijn penis en aangeefster vervolgens dezelfde vraag te stellen.

De voorzitter verzoekt het publiek de zaal te verlaten. Het publiek verlaat hierop de zaal der terechtzitting.

(...)

De getuige [getuige 1], verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

(...) Ik heb ook seksuele handelingen moeten verrichten bij mijn broer [getuige 2]. Ik weet alleen dat (...) en [getuige 2] besneden zijn en dat mijn vader niet is besneden.

(...)

Nadat het publiek in de zaal der terechtzitting is teruggekeerd, wordt zij door de voorzitter onmiddellijk onderricht omtrent hetgeen in hun afwezigheid is voorgevallen.

Het onderzoek ter terechtzitting wordt hierna voortgezet.

(...)

De raadsman verzoekt om overleg met het hof buiten aanwezigheid van het publiek en verdachte.

De voorzitter verzoekt het publiek de zaal te verlaten. Het publiek verlaat hierop de zaal der terechtzitting.

De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven:

Ik ben geschrokken van de verklaring van [getuige 1] betreffende het seksueel misbruik dat [getuige 2] van haar zou hebben gemaakt. Het plaatst de verklaring van [getuige 2] in een ander daglicht. Hij heeft zelf mogelijk boter op zijn hoofd en hij heeft er belang bij de aangifte van [getuige 1] te ondersteunen. Ik vraag mij dan ook af of deze gebeurtenissen niet verder moeten worden onderzocht. (...) Ik verzoek de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen teneinde [getuige 2] en [getuige 1] nader te horen omtrent het misbruik dat [getuige 2] van [getuige 1] zou hebben gemaakt.

(...)

Na gehouden beraad deelt de voorzitter mede dat het hof heeft besloten de getuige [getuige 1] nader te horen.

De getuige [getuige 1] wordt gehoord onder het verband van de op de terechtzitting van dit hof afgelegde eed als getuige.

(...)

De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven:

Ik handhaaf mijn verzoek de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen teneinde [getuige 2] en [getuige 1] nader te horen omtrent het misbruik dat [getuige 2] van [getuige 1] zou hebben gemaakt.

(...)

Na gehouden beraad deelt de voorzitter mede dat het hof heeft besloten het verzoek tot verwijzing naar de rechter-commissaris af te wijzen en de getuige [getuige 2] ter terechtzitting te horen.

(...)

De getuige [getuige 2] (...) verklaart (...) als volgt:

(...)

De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven:

Ik zou de getuige [getuige 1] willen confronteren met de verklaring van de getuige [getuige 2] over het vermeende seksuele misbruik. Voorts zou ik de getuige-deskundige Van de Hart opnieuw willen horen. (...)

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het duidelijk is dat de getuige verschillend verklaren, maar dat het hof het niet noodzakelijk acht dat de getuige [getuige 1] met de verklaring van [getuige 2] wordt geconfronteerd. Voorts deelt de voorzitter mede dat van de getuige-deskundigen reeds afstand is gedaan en het hof het vooralsnog niet noodzakelijk acht de getuige-deskundige Van de Hart opnieuw te horen.

Nadat het publiek in de zaal der terechtzitting is teruggekeerd, wordt zij door de voorzitter onmiddellijk onderricht omtrent hetgeen in hun afwezigheid is voorgevallen.

Het onderzoek ter terechtzitting wordt hierna voortgezet."

3.3. Het onderzoek ter terechtzitting dient in het openbaar te geschieden. Dit uitgangspunt is zowel in art. 6, eerste lid, EVRM als in art. 121 GW verwoord. Art. 20, eerste lid, (oud) RO en art. 269 Sv, krachtens art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk, herhalen dit. Deze bepalingen verwijzen alle naar de mogelijkheid van uitzonderingen op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting. Volgens de art. 121 GW en 20 (oud) RO dienen die uitzonderingen bij de wet te zijn bepaald. Art. 20 (oud) RO voegt daar nog aan toe dat in strafzaken de rechter, om gewichtige, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden redenen, mag bevelen dat het rechtsgeding, geheel of gedeeltelijk, met gesloten deuren zal plaatshebben. Art. 6 EVRM bepaalt met het oog op welke belangen op het beginsel van de openbaarheid inbreuk mag worden gemaakt. Art. 269 Sv regelt de reeds in art. 20 (oud) RO aangeduide mogelijkheid van sluiting van de deuren nader en herhaalt met het oog op welke belangen die inbreuk mag worden gemaakt. Dit wettelijk stelsel houdt in dat naast de mogelijkheid van sluiting van de deuren overeenkomstig de regeling van art. 269 Sv niet langs een andere weg inbreuk mag worden gemaakt op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting (vgl. HR 4 april 2000, NJ 2000, 633).

3.4. Blijkens het proces-verbaal heeft het Hof bij monde van zijn voorzitter bij drie gelegenheden het publiek verzocht de zaal te verlaten. Aangezien uit het proces-verbaal geen andere reden voor dit verzoek is af te leiden dan de bedoeling van het Hof telkens een behandeling van de zaak met gesloten deuren te bevelen, dient het proces-verbaal in die zin te worden verstaan.

3.5. Toen het Hof voor de eerste maal het verzoek deed, heeft het redenen opgegeven voor de sluiting der deuren. Voorzover het middel de klacht bevat dat die redenen geen gewichtige redenen als bedoeld in art. 20 (oud) RO in verbinding met art. 269 Sv zijn, faalt het. In het oordeel van het Hof dat de verhoren achter gesloten deuren dienen plaats te vinden in het belang van de waarheidsvinding, ligt besloten dat de openbaarheid het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de door het Hof daartoe gegeven gronden, niet onbegrijpelijk.

3.6. Bij het voor de tweede en derde maal gedane verzoek ontbreken uitdrukkelijk opgegeven redenen.

3.7. Toen de deuren voor de tweede maal werden gesloten, ging het om een voortzetting van het verhoor van de getuige [getuige 1].

3.8.1. Met betrekking tot de context waarin het door de voorzitter ten derden male gedane verzoek aan het publiek om de zittingszaal te verlaten is gedaan, houdt - naar blijkt uit het hiervoor onder 3.2 weergegevene - het proces-verbaal van de terechtzitting kort samengevat in:

- Bij de hiervoor onder 3.7 bedoelde voortzetting van het verhoor met gesloten deuren heeft de getuige [getuige 1] verklaard over seksuele handelingen die zij heeft moeten verrichten bij haar broer [getuige 2].

- De verdachte wordt vervolgens in aanwezigheid van het publiek gehoord.

- De raadsman van de verdachte verzoekt om de behandeling voort te zetten buiten tegenwoordigheid van het publiek.

- Nadat de voorzitter aan dit verzoek heeft voldaan, brengt de raadsman hetgeen de getuige met gesloten deuren heeft verklaard omtrent seksuele handelingen met [getuige 2] ter sprake.

3.8.2. Aldus is de behandeling van de zaak tijdens het voor de derde maal sluiten van de deuren een voorzetting van hetgeen heeft plaats gevonden toen de deuren voor de tweede keer gesloten waren.

3.9. Nu het proces-verbaal van de terechtzitting geen nadere uiteenzetting bevat van de redenen die voor de tweede en derde keer tot het sluiten van de deuren hebben geleid, kunnen 's Hofs beslissingen dienaangaande niet anders worden begrepen dan dat het Hof de redenen die het bij het voor de eerste maal sluiten der deuren heeft opgegeven, heeft willen doen uitstrekken tot de overige keren dat het de zaak met gesloten deuren heeft behandeld.

3.10. Al hetgeen bij de behandeling in hoger beroep met gesloten deuren heeft plaats gevonden staat in zodanig nauw verband tot elkaar, dat het Hof niet gehouden was telkens opnieuw de redenen op te geven. Die redengeving is, naar uit het hiervoor onder 3.4 overwogene volgt, voorts niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

3.11. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van de middelen van mr. Damminga

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 juli 2002.