Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE1233

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
16-04-2002
Zaaknummer
1337
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE1233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2002/175 met annotatie van J.G. de Vries Robbé
Module Ruimtelijke ordening 2002/1946
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1337

29 maart 2002

JV

in de zaak van

de provincie Noord-Holland (hierna: de Provincie),

waarvan de zetel is gevestigd te Haarlem,

eiseres tot cassatie,

advocaten: eerst mr. A.R. Sturhoofd, thans

mr. H.A. [verweerder]tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. C.M.E. Verhaegh.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. De provincie Noord-Holland heeft bij exploit van 6 mei 1999 verweerder in cassatie doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Haarlem en ten algemenen nutte gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten behoeve van de Provincie van het kadastrale perceel gelegen in de gemeente Haarlemmermeer, [...], ter grootte van 1 ha, 60 a en 59 ca, en bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.

1.2. Bij vonnis van 29 juni 1999 heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken ten name van en ten behoeve van de Staat en het voorschot op de schadeloosstelling voor [verweerder] bepaald op 100 percent van het bij dagvaarding aangeboden bedrag.

1.3. Bij vonnis van 27 juli 1999 heeft de Rechtbank dit vonnis verbeterd in die zin dat zij vervroegd de onteigening uitgesproken heeft ten name van en ten behoeve van de Provincie. Het vonnis houdende de vervroegde onteigening is op 18 augustus 1999 ingeschreven in de openbare registers.

1.4. Op 17 april 2001 heeft de Rechtbank eindvonnis gewezen en de schadeloosstelling voor [verweerder] vastgesteld op ƒ 17.300.

Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. De Provincie heeft het vonnis van 17 april 2001 met een middel van cassatie bestreden. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. [verweerder] heeft bij conclusie van antwoord geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tevens heeft hij incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een in twee onderdelen uiteenvallend middel voorgesteld. De conclusie van antwoord is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.3.Bij conclusie van antwoord in het incidentele cassatieberoep heeft de Provincie geconcludeerd tot verwerping daarvan.

2.4.Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. [verweerder] heeft gedupliceerd.

2.5.De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 11 januari 2002 geconcludeerd tot gedeeltelijke gegrondbevinding van het principaal beroep en gegrondbevinding van het in het incidenteel beroep voorgestelde eerste middel en onderdeel 1 van het tweede middel, alsmede tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank en tot verwijzing van de zaak naar een gerechtshof. De Provincie heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen in het principaal en in het incidenteel beroep

3.1.Het in het principaal beroep voorgestelde middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat, als over het onteigende geen landbouwvrijstelling wordt verleend omdat de 73 maanden voortgezet gebruik door de onteigening niet (kunnen) worden vol gemaakt, dat een rechtstreeks gevolg is van de onteigening, dat voor vergoeding in aanmerking komt.

3.2.Het middel faalt voorzover het - in zijn onderdeel a - strekt ten betoge dat de belasting die [verweerder] moet betalen indien de zogenoemde landbouwvrijstelling niet van toepassing is met betrekking tot de verkoopopbrengst van het onteigende ingevolge de overdracht van de economische eigendom daarvan op 15 december 1994 aan Stichting Woonmaatschappij De Vaart, in geen geval kan worden aangemerkt als schade die is veroorzaakt door de onteigening. Ook een dergelijk nadeel moet worden gerekend tot de schade waarvoor artikel 40 van de Onteigeningswet vergoeding in het vooruitzicht stelt, indien dat nadeel een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de onteigening.

3.3.Het middel slaagt echter voorzover het - in zijn onderdeel b - betoogt dat het oordeel van de rechtbank hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij onvoldoende gemotiveerd is.

3.4.De Rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien zij ervan is uitgegaan dat ingevolge artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1994) in gevallen als het onderhavige de toepasselijkheid van de landbouwvrijstelling afhankelijk is van het na de vervreemding gebleken daadwerkelijke gebruik. Beslissend is immers niet zulk naderhand gebleken gebruik, maar of op het moment van de vervreemding een redelijke kans bestond dat de grond binnenkort buiten de agrarische sfeer zou worden aangewend (HR 27 augustus 1997, nr. 32480, BNB 1997/372).

3.5.Indien de Rechtbank is uitgegaan van deze laatste, juiste rechtsopvatting, dan ligt kennelijk in haar rechtsoverweging 2.7 het oordeel besloten dat ten tijde van de vervreemding van het onteigende door [verweerder] aan de Stichting Woonmaatschappij De Vaart een redelijke kans bestond dat de grond binnenkort buiten de agrarische sfeer zou worden aangewend. Dat oordeel behoefde evenwel nadere motivering.

3.6.Uit het voorgaande volgt enerzijds dat de klachten van de Provincie tegen rechtsoverweging 2.7 van het bestreden vonnis gegrond zijn, maar anderzijds dat niet valt uit te sluiten dat [verweerder] 'belastingschade' lijdt in de door hem gestelde zin.

3.7.Dit laatste brengt mee dat het dictum van het vonnis van de Rechtbank niet in stand kan blijven, omdat daarin generlei beslissing op de onderhavige post is opgenomen. In zoverre slaagt de eerste klacht van het incidenteel beroep. Die klacht faalt evenwel in zoverre zij ertoe strekt dat de Hoge Raad de zaak zelf zal afdoen, door de Provincie te veroordelen tot vergoeding van de 'belastingschade', met de aantekening dat deze dient te worden vastgesteld door de inspecteur der belastingen of de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam. In geschil is immers nog of ten tijde van de in 3.2 bedoelde overdracht van de economische eigendom een redelijke kans bestond dat het onteigende binnenkort buiten de agrarische sfeer zou worden aangewend, en wel ten gevolge van de onderhavige onteigening. Omtrent dat geschilpunt zal de rechter naar wie de zaak wordt verwezen, alsnog dienen te beslissen.

3.8.De tweede klacht in het incidenteel beroep is eveneens gegrond, voorzover zij zich richt tegen het met betrekking tot de post 'omrijschade' gegeven oordeel van de Rechtbank dat het advies van de deskundigen moet worden gevolgd. Voor dit oordeel heeft de Rechtbank redengevend geacht dat de werkzaamheden dusdanig kunnen worden georganiseerd dat geen omrijschade geleden hoeft te worden. In het licht van de stelling van [verweerder] dat een deel van de werkzaamheden vanuit de boerderij aan [adres] plaatsvindt - over welke stelling de deskundigen zich niet hebben uitgelaten; dezen zijn ervan uitgegaan dat alle werkzaamheden vanuit het bedrijf te [woonplaats] plaatsvinden -, is deze redengeving onvoldoende.

3.9. Voor het overige faalt de tweede klacht in het incidenteel beroep. Hetgeen [verweerder] ter zake van de post 'verminderde agrarische opbrengst overblijvende' te berde had gebracht, noopte de Rechtbank niet om haar verwerping ervan breder te motiveren dan met verwijzing naar het standpunt van de deskundigen, dat zij daardoor tot het hare maakte. Ter zake van de post 'bloementuin' heeft de Rechtbank op grond van verklaringen ter descente aannemelijk geacht dat de bloementuin kan worden verplaatst. Hetgeen [verweerder] na descente nog op die mogelijkheid heeft afgedongen, is door de Rechtbank kennelijk te licht bevonden. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

3.10. Op grond van het hiervoor in 3.3 tot en met 3.7, eerste en tweede volzin, en in 3.8 overwogene kan het vonnis niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principaal en in het incidenteel beroep:

vernietigt het bestreden vonnis,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes, als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2002.