Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE1022

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
36721
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE1022
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/382 met annotatie van R.L.H. IJzerman
FED 2003/11
WFR 2003/27
V-N 2003/2.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.721

20 december 2002

SE

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 november 2000, nr. P99/2542, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 55.283, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 4 februari 2002 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing van de zaak voor feitelijk onderzoek.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Bij belanghebbende is in 1993 een acute HIV-infectie geconstateerd en in april 1994 is de diagnose aids gesteld. In verband daarmee gebruikt belanghebbende veel medicijnen, waaronder een proteaseremmer, die diverse nadelige bijwerkingen heeft, zoals misselijkheid, vermoeidheid, braken en polineuropathie. Om deze bijwerkingen tegen te gaan gebruikt belanghebbende marihuana. Bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar heeft

hij de uitgaven ter zake van de aanschaf van marihuana voor dat doel gesteld op ƒ 9125.

3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende bij de berekening van zijn belastbare inkomen op grond van artikel 46, lid 3, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de gestelde uitgaven ter zake van de aanschaf van marihuana als buitengewone lasten in mindering mocht brengen.

3.3. Het Hof heeft onder meer vastgesteld dat de Inspecteur heeft betwist dat de door belanghebbende opgevoerde kosten voor de aanschaf van marihuana daadwerkelijk zijn gemaakt. Deze vaststelling is in cassatie niet bestreden. Gelet op deze betwisting was het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij de opgevoerde kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.

In dat verband heeft het Hof vervolgens vastgesteld dat belanghebbende geen bewijsmiddelen heeft overgelegd, geen overlegging van relevant bewijs heeft aangeboden, en geen verklaring heeft gegeven voor de afwezigheid van zulk bewijs.

3.4. Onder afzonderlijke verwijzing naar deze vaststelling heeft het Hof geconcludeerd dat de Inspecteur de verlangde aftrek terecht heeft geweigerd. Daarin ligt het oordeel besloten dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de opgevoerde kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.

3.5. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet ontoereikend gemotiveerd.

3.6. Aangezien 's Hofs hiervoor weergegeven oordeel zijn beslissing zelfstandig draagt, behoeven de overige klachten geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, J.W. van den Berge, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2002.