Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0873

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
36785
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2002/200
BNB 2002/175
WFR 2002/546, 2
V-N 2002/19.23 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0693 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.785

29 maart 2002

JV

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 november 2000, nr. P99/602, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 30 september 1998 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 10.647 aan enkelvoudige belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak en de desbetreffende naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen

's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende, fabrikant van onder meer vloerbedekkingen, had in het onderhavige tijdvak 25 vertegenwoordigers in loondienst. Dezen zorgden voor de verspreiding van stalenmateriaal in hun regio en dienden voor de opslag van die stalen en van displays en klappers zelf een opslagruimte te hebben. Tien vertegenwoordigers huurden daarvoor een garage. De door hen betaalde huur is hun door belanghebbende vergoed. Vijftien vertegenwoordigers gebruikten voor de opslag van het materiaal een eigen, een aanhorigheid van hun (al dan niet: eigen) woning vormende, garage. Belanghebbende heeft hun een bedrag van ƒ 60 per maand vergoed.

3.2. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat laatstvermelde vergoedingen behoren tot het loon, en heeft te dier zake de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.

Het Hof heeft geoordeeld dat de onderhavige vergoedingen niet zijn aan te merken als vergoedingen van 'kosten die verband houden met (...) werkruimte (...) in de woning (...) van de werknemer' als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1998; hierna: de Wet), maar moeten worden aangemerkt als opbrengst van vermogen, en heeft op die gronden de naheffingsaanslag vernietigd.

3.3. De middelen bestrijden 's Hofs oordelen terecht.

De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de vergoedingen door de vijftien betrokken werknemers zijn genoten uit hun dienstbetrekking en strekten tot bestrijding van kosten tot verwerving van het loon, namelijk de kosten die de werknemers hadden doordat zij een deel van hun garage gebruikten voor hun werk.

In beginsel behoren, in afwijking van artikel 10 van de Wet, dat een ruim loonbegrip behelst, op grond van artikel 11, lid 1, aanhef en letter j, van de Wet, vergoedingen van kosten tot verwerving van het loon niet tot het loon. Op dat beginsel is in evenvermeld artikelonderdeel echter een aantal uitzonderingen te vinden. De onderhavige vergoedingen vallen onder een van die uitzonderingen en behoren mitsdien wel tot het loon, nu het hier gaat om vergoedingen ter zake van de post 'werkruimte', bedoeld in artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet, welke als uitzondering worden genoemd in artikel 11, lid 1, aanhef en letter j, aanhef en onder 1°, van de Wet.

De opvatting dat te dezen geen sprake zou zijn van 'werkruimten' in de zin van deze bepalingen, is onjuist. De wetsgeschiedenis toont aan dat de wetgever onder de (per 1 januari 1997 ingevoerde) term 'werkruimte' - naar de bedoeling van de wetgever niet op te vatten als 'ruimte waarin wordt gewerkt' maar als 'ruimte, in gebruik voor het werk' - heeft willen begrijpen de als opslagplaats gebruikte garage die een aanhorigheid van de woning vormt. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 13 december 1996, Stb. 655, waarbij het begrip 'kantoorruimte' in voormeld artikel 15 is vervangen door het begrip 'werkruimte', is namelijk onder meer opgemerkt:

Laatstgenoemd begrip heeft een ruimer bereik dan het begrip kantoorruimte. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat de onderhavige bepaling ook van toepassing is op alle andere werkruimten dan kantoorruimten in de woning waarvan de kosten en lasten in beginsel voor aftrek in aanmerking komen, zoals het atelier van de kunstenaar, de behandelkamer van de fysiotherapeut en de als opslagplaats gebruikte garage die een aanhorigheid van de woning vormt (Kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 3, blz. 38).

De vergoedingen behoren derhalve, anders dan het Hof heeft geoordeeld, tot het loon.

3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2002.