Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0746

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2002
Datum publicatie
31-05-2002
Zaaknummer
R01/121HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE0746
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 309
NJ 2003, 357 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2002, 88
FJR 2002, 63
JWB 2002/198
JBPR 2002/3 met annotatie van Mw. mr. E.L. Schaafsma-Beversluis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 mei 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/121HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E.M. van der Heijden,

t e g e n

DE GEMEENTE ROTTERDAM, zetelende te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij een op 20 april 2000 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot de Rechtbank te Rotterdam en verzocht de in dat verzoekschrift vermelde beschikking van verweerder in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - d.d. 9 maart 2000 te vernietigen en te bepalen dat de gegevens betreffende zijn burgerlijke staat in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) van [woonplaats] overeenkomstig zijn verzoek zullen worden gewijzigd.

De Gemeente heeft het verzoek bestreden. De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft bij schriftelijke conclusie van 27 oktober 2000 geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2001 het verzoek afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 15 augustus 2001 heeft het Hof de bestreden beschikking vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in het door hem tegen de Gemeente ingestelde beroep.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en de twee aanvullende cassatierekesten zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De Gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende.

(i) [Verzoeker] is in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) beschreven als [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] (Marokko), burgerlijke staat: geen huwelijk/partnerregistratie bekend, nationaliteit Nederlandse sinds 27 april 1989 en tevens Marokkaanse.

(ii) [Verzoeker] heeft in maart 1999 mondeling aan de Gemeente verzocht de gegevens betreffende zijn burgerlijke staat in de GBA te wijzigen conform een door hem als huwelijksakte uit Marokko aangeboden geschrift, waarin onder meer als verklaring is opgenomen dat hij in februari 1993 is gehuwd met [betrokkene 1].

(iii) De Gemeente heeft bij brief van 9 maart 2000 het definitieve besluit genomen niet aan het verzoek tot wijziging van de gegevens in de GBA te voldoen. Deze brief van de Gemeente is aangetekend verzonden op 14 maart 2000.

(iv) Bij een op 20 april 2000 gedateerd verzoekschrift aan de Rechtbank heeft [verzoeker] tegen de beslissing van de Gemeente beroep ingesteld en verzocht de Gemeente te bevelen zijn in de GBA voorkomende gegevens te verbeteren en te wijzigen overeenkomstig zijn voormeld verzoek. Het verzoekschrift is gericht aan "Arrondissementsrechtbank Sector Bestuursrecht Postbus 50951 3007 BM Rotterdam". De Rechtbank heeft het verzoek van [verzoeker] bij beschikking van 29 januari 2001 afgewezen. In de beschikking van de Rechtbank is vermeld "Op 27 april 2000 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van [verzoeker]".

(v) [Verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld. De zaak is op 1 augustus 2001 mondeling behandeld ter zitting van het Hof. [Verzoeker] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat het hof op het overgelegde inleidend verzoekschrift geen stempel heeft aangetroffen, waaruit de ontvangst ter griffie blijkt. Volgens de bestreden beschikking is het beroepschrift in eerste aanleg echter op 27 april 2000 ter griffie van de rechtbank ingekomen. Het beroep lijkt dus twee dagen te laat te zijn ingediend, namelijk niet binnen 6 weken na verzending van de beslissing van de gemeente."

(vi) Na te hebben overwogen dat [verzoeker] tegen de hiervoor onder (iii) vermelde beslissing bij een op 20 april 2000 gedateerd verzoekschrift aan de Rechtbank beroep heeft ingesteld, heeft het Hof bij beschikking van 15 augustus 2001 [verzoeker] alsnog niet-ontvankelijk verklaard in het door hem bij de Rechtbank ingestelde beroep. Daartoe heeft het Hof als volgt overwogen:

"Ter terechtzitting is gebleken dat de brief van de gemeente van 9 maart 2000 aangetekend is verzonden op 14 maart 2000 en is uitgereikt aan [[verzoeker]] op 15 maart 2000. Nu blijkens de bestreden beschikking het beroepschrift in eerste instantie op 27 april 2000 ter griffie is ingekomen staat vast dat het beroep te laat, namelijk niet binnen 6 weken na verzending van de beslissing van de gemeente is ingesteld."

(vii) Uit een bij het tweede aanvullend verzoekschrift in cassatie overgelegde kopie van het originele inleidend verzoekschrift blijkt dat dat verzoekschrift op 21 april 2000 is ingekomen bij de Sector Bestuursrecht van de Rechtbank.

(viii) Naar blijkt uit het ambtshalve door de Advocaat-Generaal opgevraagde griffiedossier is vervolgens de adressering intern bij de Rechtbank gecorrigeerd doordat het verzoek is doorgeleid naar de griffie van de sector "familie- en jeugdrecht". Blijkens het door deze griffie op het verzoekschrift geplaatste stempel is het daar ingekomen op 27 april 2000.

3.2 Uit het in 3.1 overwogene en de stukken van het geding in de feitelijke instanties blijkt het volgende. De Rechtbank heeft [verzoeker] zonder meer ontvankelijk geacht in zijn verzoek. De Gemeente heeft zich noch in eerste aanleg noch in hoger beroep beroepen op niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn beroep bij de Rechtbank. Het Hof constateert zelf dat het aan de Sector Bestuursrecht van de Rechtbank gerichte verzoekschrift is gedateerd op 20 april 2000. Het Hof heeft niet zelf geverifieerd op welk tijdstip het inleidend verzoekschrift ter griffie van de Rechtbank is ingekomen, doch is uitsluitend afgegaan op de vaststelling van de Rechtbank dienaangaande. In het proces-verbaal van de zitting van het Hof is vermeld dat het beroep twee dagen te laat lijkt te zijn ingediend.

3.3 Gelet op de in 3.2 vermelde feiten en omstandigheden had het Hof niet zonder nader onderzoek, uitgaande van de vaststelling door de Rechtbank dat het verzoek van [verzoeker] ter griffie van de Rechtbank was ingekomen op 27 april 2000, [verzoeker] niet-ontvankelijk mogen verklaren in het door hem bij de Rechtbank ingestelde beroep. In onderdeel 2 ligt een op het voorgaande gerichte klacht besloten. In zoverre treft het onderdeel doel. Voor het overige behoeft het geen behandeling meer. Uit hetgeen hiervoor in 3.1 onder (vii) is overwogen volgt dat het verzoekschrift op 21 april 2000 - derhalve tijdig - bij de Rechtbank is ingediend, waaraan niet kan afdoen dat bij de adressering een verkeerde sector is vermeld.

3.4 Het vorenoverwogene brengt mee dat onderdeel 3 geen behandeling meer behoeft en dat het Hof na verwijzing het hoger beroep van [verzoeker] zal hebben te beoordelen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 augustus 2001;

verwijst het geding naar dat Gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 31 mei 2002.