Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0658

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
C00/295HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE0658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/166
JOL 2002, 343
JAR 2002, 166
JWB 2002/230

Uitspraak

14 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/295HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E.D. Vermeulen,

t e g e n

[Verweerder], thans wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 29 juli 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Roermond en gevorderd bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [eiseres] te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 43.918,35 bruto terzake loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging van ƒ 21.959,18 bruto, alsmede terzake onkostenvergoeding een bedrag van ƒ 2.025,53 netto, alsmede terzake schadevergoeding een bedrag van ƒ 3.000,--, alle bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 1995 tot de dag der algehele voldoening.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

Bij conclusie van repliek heeft [verweerder] gesteld dat zijn vordering moet worden verrekend met een bedrag van ƒ 12.360,60 terzake ontvangen voorschotten.

Na een tussenvonnis van 9 december 1997, waarbij een comparitie van partijen is gelast, heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 3 februari 1998 [eiseres] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen:

- terzake van loon en wettelijke verhoging een bedrag ad ƒ 65.877,53 bruto,

- terzake van dagvergoedingen een bedrag ad ƒ 11.339,13 netto,

- terzake van buitengerechtelijke kosten een bedrag ad ƒ 940,-- inclusief BTW,

telkens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 1 december 1995, doch onder aftrek van het door [eiseres] aan [verweerder] betaalde bedrag ad ƒ 12.360,60.

Tegen het eindvonnis van de Kantonrechter heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Roermond.

Bij tussenvonnis van 20 mei 1999 heeft de Rechtbank [eiseres] tot bewijslevering toegelaten; na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 13 april 2000 het vonnis van de Kantonrechter van 3 februari 1998 bevestigd.

Beide vonnissen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

[Eiseres] heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt ertoe dat de Hoge Raad zal verstaan zoals in alinea 20 van deze conclusie is gesuggereerd, en voor het overige het cassatieberoep zal verwerpen.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is in de periode van 1 oktober 1993 tot 1 april 1994 als internationaal chauffeur in dienst geweest van [eiseres]. Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de CAO) van toepassing. Het per periode van vier weken in totaal aan [verweerder] te betalen loon is nooit becijferd en in loonstroken neergelegd. Door [eiseres] zijn gedurende het dienstverband nimmer uren- of rittenstaten opgemaakt. [Verweerder] heeft een tweetal per bank gedane betalingen ontvangen en verder contante betalingen ontvangen, welke (deels) als voorschotten op het alsnog vast te stellen loon golden.

(ii) In de periode van 1 april 1987 tot 10 maart 1992 is [verweerder] als chauffeur in dienst geweest bij een transportbedrijf in Istanbul. In de periode van 25 maart 1992 tot en met 24 maart 1993 is hij als internationaal chauffeur in dienst geweest van een transportbedrijf in Nederland.

(iii) De CAO heeft gegolden van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993. Bepalingen uit deze CAO - en met name art. 18 - zijn algemeen verbindend verklaard bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 april 1993 (Stcrt. 1993, nr. 67 en 68 onder DCA-nr. 7750). De CAO is niet verlengd, en is daarom geëindigd op 1 januari 1994. In art. 49 van de CAO is evenwel bepaald - zakelijk weergegeven - dat de CAO volledig van kracht blijft tijdens de onderhandelingen over een nieuwe CAO en uiterlijk tot drie maanden nadat de oude CAO is geëindigd, derhalve tot 1 april 1994. (Een nieuwe CAO is op 18 april 1994 afgesloten). De CAO heeft derhalve gegolden gedurende het gehele dienstverband van [verweerder] bij [eiseres].

3.2 [Verweerder] heeft [eiseres] aangesproken tot betaling van onbetaald gebleven loon met de wettelijke verhoging in verband met wanbetaling en tot betaling van dagvergoedingen. Hij heeft zich daarbij beroepen op de voor hem geldende CAO, en met name op de daarin opgenomen inschalingsregeling die voor hem zou meebrengen dat hij zou worden ingeschaald in functieloonschaal E trede 4. De Kantonrechter heeft de vordering toegewezen, zoals hiervoor in 1 vermeld. De Rechtbank heeft dit vonnis, na [eiseres] in haar tussenvonnis van 20 mei 1999 tot bewijslevering te hebben toegelaten, bekrachtigd bij haar eindvonnis van 13 april 2000.

3.3 De Rechtbank heeft in rov. 4.3.3 van het tussenvonnis overwogen:

"De rechtbank kan zich met de zienswijze van [verweerder] verenigen en is derhalve van oordeel dat bij de berekening van het verschuldigde loon uitgegaan dient te worden van (functie) loonschaal E trede 4.

De rechtbank baseert haar oordeel op het feit dat onweersproken vaststaat dat [verweerder] tenminste 5 jaar werkervaring als (internationaal) chauffeur bezat toen hij in dienst trad bij [eiseres] en dat [eiseres] hiervan op de hoogte was.

De tekst van artikel 18 CAO laat in dit geval aan duidelijkheid omtrent inschaling niets te wensen over.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de bezwaarprocedure waarnaar [eiseres] verwijst ziet op de situatie waarin een werknemer bezwaar heeft tegen zijn functie-indeling in één der functieloonschalen A tot en met H. In het onderhavige geval staat de indeling in de functieloonschaal niet ter discussie."

Artikel 18 van de toepasselijke CAO luidde:

"1. Bij indiensttreding wordt de werknemer ingeschaald in de bij zijn functie behorende functieloonschaal op de trede die overeenkomt met het aantal onafgebroken ervaringsjaren, direct voorafgaande aan de indiensttreding, dat de werknemer dezelfde of soortgelijke functie heeft bekleed, zowel in deze als in andere bedrijfstakken. Bij de vaststelling van het aantal ervaringsjaren blijven onderbrekingen van minder dan twee jaar buiten beschouwing.

2. Indien de ervaring niet is verworven in eenzelfde, maar in een soortgelijke functie, kan de werknemer vanaf de indiensttreding gedurende maximaal 1 jaar in de juiste loonschaal een trede lager worden geplaatst dan overeenkomt met zijn ervaringsjaren in die soortgelijke functie. Na dat jaar wordt de werknemer geplaatst op die trede die overeenkomt met zijn ervaringsjaren.

3. Bij de indiensttreding kan de werkgever bepalen dat de werknemer op een lagere trede in de juiste loonschaal wordt ingedeeld. Met terugwerkende kracht tot die datum van indiensttreding wordt de werknemer na de proeftijd ingedeeld op de trede, die overeenkomt met het aantal ervaringsjaren, zoals vastgesteld overeenkomstig lid 1 van dit artikel."

3.4.1 Onderdeel I.1 van middel I betoogt dat ingevolge art. 18 lid 3 van de CAO [verweerder], zoals ook is gebeurd, bij het totstandkomen van de overeenkomst in trede 0 van de functieloonschaal E mocht worden ingeschaald, dat de werkgever de discretionaire bevoegdheid daartoe bezat, en dat het een andere zaak is dat [verweerder] na de proeftijd met terugwerkende kracht in een andere trede had moeten worden ingedeeld. Het onderdeel stelt dat eventueel alleen onjuist is gehandeld ná het verstrijken van de proeftijd, en dat zulks van belang kan zijn voor de vaststelling van het percentage van de wettelijke verhoging.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. In de feitelijke instanties heeft [eiseres] zich niet erop beroepen dat zij gehandeld heeft overeenkomstig art. 18 lid 3 van de CAO en dat daarom de wettelijke verhoging dient te worden gematigd. Een dergelijke beroep kan niet voor het eerst in cassatie worden gedaan, nu een beoordeling ervan mede een onderzoek van feitelijke aard zou vergen.

3.4.2 Onderdeel I.2 betoogt dat de Rechtbank een onjuiste dan wel onbegrijpelijke uitleg aan art. 18 lid 1 van de CAO heeft gegeven door aan te nemen dat [verweerder] vijf jaar werkervaring had toen hij in dienst trad bij [eiseres]. Het voert aan dat de CAO-bepalingen gelden voor bedrijven in Nederland en dat zulks impliceert dat hetgeen daarin is opgenomen over ervaringsjaren betrekking heeft op ervaringsjaren van de betreffende werknemer bij een in Nederland gevestigde onderneming waarvoor ook de CAO geldt. Het onderdeel acht onbegrijpelijk dat ervaringsjaren als chauffeur in Turkije als ervaringsjaren in het kader van de Nederlandse CAO dienen te worden aangemerkt. Voorts acht het onbegrijpelijk dat de ervaringsjaren in Nederland zijn meegeteld, hoewel uit door [verweerder] over-gelegde arbeidsovereenkomsten met twee Nederlandse bedrijven blijkt dat hij daar telkenmale is ingeschaald in de functieloonschaal E trede 0, waartegen [verweerder] kennelijk geen bezwaar heeft gemaakt.

Het onderdeel faalt. De CAO maakt slechts onderscheid naar gelang de werknemer ervaring heeft in "dezelfde" of een "soortgelijke" functie, zowel in dezelfde bedrijfstak als in andere bedrijfstakken (art. 18 lid 1 en 2 van de CAO). Alleen al de bepaling in de CAO dat ervaringsjaren in andere bedrijfstakken meetellen, sluit uit dat alleen ervaringsjaren bij een onderneming waarop ook de onderhavige CAO van toepassing is van belang zijn. De tekst van de CAO biedt verder geen enkel aanknopingspunt voor een te maken onderscheid tussen ervaringsjaren doorgemaakt in Nederland dan wel in het buitenland. Het vak van vrachtautochauffeur, waarop de onderhavige CAO betrekking heeft, wordt erdoor gekenmerkt dat het ten minste voor een deel in het buitenland kan worden uitgeoefend. Dit maakt het eens te meer onaannemelijk dat de CAO zou inhouden dat alleen ervaring opgedaan bij een Nederlandse werkgever mag worden meegeteld. De Rechtbank heeft dan ook art. 18 van de onderhavige CAO terecht aldus uitgelegd dat onder de daarin bedoelde ervaringsjaren ook ervaringsjaren in het buitenland opgedaan vallen.

Voorzover motiveringsklachten van het onderdeel tegen dit oordeel opkomen, behoeven zij na het bovenstaande niet meer behandeld te worden, omdat een rechtsoordeel niet met motiveringsklachten kan worden bestreden. Voorzover het onderdeel erover klaagt dat onbegrijpelijk is dat de Rechtbank de onderhavige door [verweerder] in Turkije opgedane ervaringsjaren heeft meegeteld, ziet het eraan voorbij dat een betoog van die strekking niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan komen, aangezien het een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is. De klacht dat in eerdere arbeidsovereenkomsten een inschaling in schaal E trede 0 heeft plaatsgevonden kan, nu zij niet voldoet aan de eisen van art. 407 Rv., evenmin tot cassatie leiden.

3.5.1 In rov. 4.6.3 van het tussenvonnis heeft de Rechtbank overwogen:

"De rechtbank is van oordeel dat de wettelijke verhoging dient te worden berekend over het salaris dat [verweerder] toekomt minus hetgeen reeds door [eiseres] bij wijze van betaling van salaris aan [verweerder] is voldaan."

Middel II bestrijdt de wijze waarop de Rechtbank de wettelijke verhoging heeft berekend met het volgende betoog. De Kantonrechter heeft een bedrag aan wettelijke verhoging toegewezen, berekend over het gehele brutobedrag van het aan [verweerder] toekomend loon. Hij heeft voorts een aftrek toegelaten van hetgeen feitelijk netto is betaald. Dit is in strijd met het systeem van art. 7:625 BW. De Rechtbank geeft in rov. 4.6.3 van het tussenvonnis aan dat de wijze van berekening van de Kantonrechter onjuist is, maar verbindt daar ten onrechte geen consequenties aan in het eindvonnis, waarin immers de uitspraak van de Kantonrechter wordt bekrachtigd. In de memorie van grieven heeft [eiseres] betoogd dat de Kantonrechter de wettelijke verhoging niet mocht betrekken op het gehele brutoloonbedrag, doch dat van het brutoloonbedrag eerst moet worden afgetrokken de bruto tegenwaarde van het aan [verweerder] netto betaalde bedrag.

3.5.2 Het middel gaat uit van de juiste rechtsopvatting (eveneens neergelegd in voormelde rov. 4.6.3 van de Rechtbank) dat voor de berekeningsgrondslag voor de wettelijke verhoging op het in totaal verschuldigde loon in mindering moet worden gebracht wat op het loon als voorschot is betaald. Dat de Rechtbank de door [eiseres] betaalde voorschotten niet in mindering heeft gebracht op het totale bruto-loon berust klaarblijkelijk op de uitleg die de Rechtbank heeft gegeven aan het vonnis van de Kantonrechter. Die uitleg houdt in dat de Kantonrechter, overeenkomstig de berekening van [verweerder] in de inleidende dagvaarding, de voorschotbetalingen heeft gekwalificeerd als voorschot op dagvergoeding en loon, maar aanleiding heeft gezien die voorschotten allereerst in mindering te brengen op de verschuldigde netto-dagvergoedingen. Over het specifieke aspect van de toerekening was door [eiseres] in de procedure voor de Kantonrechter niets gesteld. De grief waarnaar het middel verwijst, richt zich evenmin tegen de door de Kantonrechter gevolgde methode van toerekening van de voorschotten. Ook het middel - dat uitgaat van de stelling dat de betaalde voorschotten in hun geheel op het totale bruto-loonbedrag in mindering moeten worden gebracht - gaat niet in op de wijze waarop de betaalde voorschotten aan de door [verweerder] gevorderde posten (loon en onkostenvergoeding) moet worden toegerekend. Het bestrijdt dan ook tevergeefs hetgeen de Rechtbank in het dictum, op het voetspoor van de beslissing van de Kantonrechter, heeft beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 14 juni 2002.