Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0649

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
C00/261HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE0649
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-06-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 325
JWB 2002/217

Uitspraak

7 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/261HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. W. Heemskerk,

thans mr. D. Stoutjesdijk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 14 februari 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 43.146,--, zijnde de opengevallen maandtermijnen voor de periode april/december 1996, alsmede een bedrag van ƒ 37.600,-- voor de periode januari/augustus 1994, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de verschuldigdheid van de vervallen termijnen is ontstaan, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 16 september 1997 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een nadere conclusie door [verweerster].

[Verweerster] heeft vervolgens met betrekking tot de periode januari/augustus 1994 zijn eis verminderd en over deze periode, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog gevorderd [eiseres] te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van ƒ 11.896,88, daarbij voor het overige persisterend.

De Rechtbank heeft bij eindvonnis van 30 december 1997 [eiseres] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 43.146,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag waarop de verschuldigdheid van de vervallen termijnen is ontstaan, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 30 maart 2000 heeft het Hof beide vonnissen van de Rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep, onder mededeling dat de vragen die het middel opwerpt, zijnsinziens niet van dien aard zijn, dat die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoord behoeven te worden.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 579,57 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 juni 2002.