Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0646

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
C00/231HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE0646
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 324
JWB 2002/209

Uitspraak

7 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/231HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.V. Polak.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 22 april 1994 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] te vergoeden de schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot die der algehele voldoening, welke [eiseres] door het tekortschieten van [verweerster] heeft geleden en mocht lijden, kosten rechtens.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 16 juni 1994 een gerechtelijke plaatsopneming bevolen, een deskundige benoemd ten einde de rechter te dezen bij te staan en een comparitie van partijen bevolen. Vervolgens heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 20 juli 1995 [verweerster] veroordeeld 25% van de schade te vergoeden, nader op te maken bij staat, welke [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van het loslaten van de verf op de goten van [eiseres], zoals bedoeld in de conclusie van eis, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

[Verweerster] heeft incidenteel appel ingesteld.

Bij tussenarrest van 18 mei 1998 heeft het Hof [verweerster] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft het Hof op het principale en het incidentele appel de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [verweerster]. Bij eindarrest van 17 mei 2000 heeft het Hof op het principale en het incidentele appel het bestreden eindvonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van [eiseres] afgewezen.

De arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de drie vermelde arresten van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen het bestreden arrest van 18 mei 1998 en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 juni 2002.