Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0645

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
C00/222HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE0645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/155 met annotatie van Mr. M.S.A. Vegter/Prof. mr. E. Verhulp
JOL 2002, 322
NJ 2003, 125
RvdW 2002, 97
JAR 2002, 155
JWB 2002/210

Uitspraak

7 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/222HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. J.C. van Oven,

thans mr. A.J. Swelheim,

t e g e n

CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V., gevestigd te Haarlem,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 26 juni 1998 de rechtsvoorgangster van verweerster in cassatie - verder te noemen: Midnet - gedagvaard voor de Kantonrechter te Amersfoort. Na wijziging van eis heeft hij gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Midnet te veroordelen tot betaling van:

A. een bedrag van ƒ 106.730,-- bruto als schadevergoeding in de zin van art. 7:681 BW;

B. een bedrag van ƒ 7.734,-- als buitengerechtelijke incassokosten;

C. de wettelijke rente over de vordering vermeld onder A vanaf 1 mei 1998 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Midnet heeft de vordering bestreden en een eis in reconventie ingesteld, die in cassatie niet meer van belang is.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 27 januari 1999 in conventie [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en het gevorderde afgewezen.

Tegen het in conventie gewezen vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Utrecht. Bij memorie van grieven heeft [eiser] zijn eis gewijzigd en gevorderd voormeld vonnis van de Kantonrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende Midnet en thans verweerster in cassatie - verder te noemen: Connexxion - hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

a. een bedrag van ƒ 16.748,55 bruto als gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:680 lid 1 BW vanwege het niet in acht nemen van de voor opzegging geldende bepalingen bij het geven van ontslag aan [eiser] op 23 december 1997;

b. een bedrag van ƒ 106.730,-- bruto als schadevergoeding ex art. 7:681 lid 1 BW;

c. de wettelijke rente over de sub a en b genoemde bedragen vanaf 23 december 1997 tot de dag waarop die bedragen geheel zijn betaald;

d. een bedrag van ƒ 7.734,-- als buitengerechtelijke kosten.

Bij vonnis van 5 april 2000 heeft de Rechtbank het vonnis waarvan beroep onder wijziging van de gronden waarop het berust, bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Connexxion heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is op 5 december 1977 als buschauffeur in dienst getreden van Midnet Groep N.V. (hierna: Midnet), de rechtsvoorgangster van Connexxion. Zijn laatstverdiende loon bedraagt ƒ 3.953,-- bruto per maand, exclusief toeslagen. Op de arbeidsovereenkomst is de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Openbaar Vervoer van toepassing.

(ii) Midnet heeft [eiser] op 23 december 1997 op staande voet ontslagen, omdat hij zgn. "piekkaartjes" waarop kosteloos kon worden gereisd, aan passagiers zou hebben verkocht voor een gulden per stuk.

(iii) Bij brief van 23 december 1997 heeft de Vervoersbond FNV namens [eiser] de nietigheid van het ontslag ingeroepen op grond van het ontbreken van een dringende reden en van toestemming van de RDA.

(iv) [Eiser] heeft een vordering op de voet van art. 116 (oud) Rv. ingesteld, strekkende tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening (doorbetaling van loon en wedertewerkstelling). De Kantonrechter heeft deze vordering bij vonnis van 25 maart 1998 afgewezen.

(v) Midnet heeft bij verzoekschrift van 30 januari 1998 de Kantonrechter verzocht "voor zover rechtens vereist" de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Bij beschikking van 25 maart 1998 heeft de Kantonrechter het verzoek toegewezen en de arbeidsovereenkomst voor zover rechtens vereist met ingang van 25 maart 1998 zonder toekenning van enige vergoeding aan [eiser] ontbonden op grond van, kort gezegd, verandering van omstandigheden.

(vi) Bij brief van 25 maart 1998 heeft mr. Broos van de Rechtskundige Dienst FNV aan de advocaat van Midnet onder meer het volgende geschreven:

"In voornoemde zaak vernam ik heden van de griffie dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk heeft ontbonden zonder toekenning van een vergoeding.

Namens mijn cliënt doe ik hierbij afstand van zijn beroep op nietigheid van het ontslag op staande voet. Mijn cliënt stelt dat er sprake is van een onregelmatig ontslag. Hij cliënt stelt uw cliënt schadeplichtig in de zin van artikel 7:677 BW en vordert de gefixeerde schadevergoeding in de zin van artikel 7:680 lid 1 BW, in casu gelijk aan een bedrag van ƒ 16.748,55 bruto inclusief 8% vakantietoeslag.

Voorts stelt mijn cliënt dat het ontslag kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7:681 BW. Mijn cliënt vordert deswege een bedrag van ƒ 106.750,-- bruto als schadevergoeding.

Ik sommeer uw cliënte om binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief voornoemde bedragen over te maken (...)."

(vii) Midnet heeft bij brief van 30 maart 1998 geantwoord dat zij gezien de beslissing van de kantonrechter niet aan de sommatie zal voldoen en zij heeft aan [eiser] geen vergoeding betaald.

3.2 [Eiser] heeft in het onderhavige geding schadevergoeding gevorderd ter zake van onregelmatige beëindiging (art. 7:680 lid 1 BW) alsmede ter zake van kennelijk onredelijke beëindiging (art. 7:681 BW) van de arbeidsovereenkomst. De Rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] in zijn vordering niet kan worden ontvangen op de grond dat, kort weergegeven, weliswaar een werknemer in het algemeen van een beroep op nietigheid van een ontslag op staande voet kan terugkomen, maar dat in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die hieraan in de weg staan, te weten dat "in de onderhavige kwestie tussen partijen al twee rechterlijke uitspraken zijn gedaan". Behandeling van de vordering tot schadevergoeding van [eiser] zou, aldus de Rechtbank, in strijd zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

3.3 De Rechtbank heeft bij haar oordeel tot uitgangspunt genomen de door de Hoge Raad in zijn arrest van 7 oktober 1994, nr. 15443, NJ 1995, 171, neergelegde regel dat een werknemer die de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen - behoudens bijzondere omstandigheden - van die keuze kan terugkomen door jegens de werkgever ondubbelzinnig van zijn beroep op nietigheid afstand te doen. Onderdeel 1 voert aan dat de Rechtbank, oordelende als hiervoor weergegeven, heeft miskend dat de omstandigheid dat tussen partijen al twee rechterlijke uitspraken zijn gedaan, niet eraan in de weg staat dat een ontslagen werknemer als [eiser] terugkomt van zijn aanvankelijk beroep op nietigheid van het ontslag, en strekt derhalve ten betoge dat deze omstandigheid niet een bijzondere omstandigheid is als bedoeld in evengenoemd arrest.

Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat de afstand van het beroep op nietigheid weliswaar betekent dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag is beëindigd en dat de werknemer geen aanspraak meer maakt op doorbetaling van loon, maar niet ook dat de werknemer daarmee de juistheid van de door de werkgever opgegeven dringende reden erkent. Dit een en ander brengt mee dat de werknemer in beginsel, uitgaande van het hem gegeven ontslag, zich alsnog op het standpunt kan stellen dat sprake is van een onregelmatige en/of kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Aan deze wijziging van zijn standpunt staat niet in de weg dat de werknemer inmiddels in een procedure op de voet van art. 116 (oud) Rv. een beroep op de nietigheid van het ontslag heeft gedaan. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, staat daaraan evenmin in de weg dat "al twee rechterlijke uitspraken zijn gedaan, waaronder de beoordeling ten gronde in de ontbindingsprocedure". Te dien aanzien heeft de Rechtbank vooreerst miskend dat noch in de ontbindingsprocedure noch in de procedure op de voet van art. 116 (oud) Rv. een onherroepelijke uitspraak is gedaan over de geldigheid van het ontslag en over de daaraan ten grondslag gelegde dringende reden. Voorts heeft de Rechtbank uit het oog verloren dat doordat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn beroep op nietigheid van het ontslag, de grondslag is ontvallen aan de "voor zover vereist" gegeven beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, alsmede aan de op dezelfde dag uitgesproken en met deze beschikking strokende afwijzing van de vordering tot wedertewerkstelling en doorbetaling van loon.

Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat de omstandigheid dat reeds twee rechterlijke uitspraken zijn gedaan, een bijzondere omstandigheid oplevert, zoals bedoeld in voormeld arrest van de Hoge Raad. Het onderdeel treft derhalve doel.

3.4 Nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd door het ontslag en dat de "voor zover vereist" gegeven beschikking in de ontbindingsprocedure daarom geen gevolg meer kan hebben, kan niet worden gezegd dat een vordering tot schadevergoeding op de voet van art. 7:680 en/of art. 7:681 in strijd is met het gesloten systeem van rechtsmiddelen. Onderdeel 2 dat hierover klaagt, is derhalve eveneens gegrond.

3.5 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat onderdeel 3 geen afzonderlijke behandeling behoeft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 5 april 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Connexxion in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 188,16 aan verschotten en € 1.590,--voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 juni 2002.