Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0644

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
C00/202HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE0644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 79
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/154 met annotatie van Mr. R.M. Beltzer/Prof. mr. P.F. van der Heijden
JOL 2002, 321
NJ 2003, 175
RvdW 2002, 96
JAR 2002, 154
Ondernemingsrecht 2002, 40a
JWB 2002/211

Uitspraak

7 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/202HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. A.J. Swelheim,

t e g e n

J.B. GROOTHANDEL IN VLEES B.V., gevestigd te Vriezenveen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 26 februari 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: J.B. Vlees B.V. - gedagvaard voor de Kantonrechter te Almelo en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, J.B. Vlees B.V. te veroordelen tot betaling van:

- een bedrag van ƒ 20.183,80 terzake achterstallig loon, berekend tot en met januari 1998;

- de aanvulling op de WAO-uitkering van 30% van eiseresses loon conform art. 39 van de CAO, vanaf februari 1998 tot het tijdstip waarop eiseres op grond van de bepalingen in de CAO geen aanspraak meer kan maken op deze aanvulling;

- de vertragingsvergoeding als bedoeld in art. 7:625 BW over voornoemde bedragen;

- de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de datum van opeisbaarheid over de eerste twee genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

- de buitengerechtelijke invorderingskosten van ƒ 3.533,-- inclusief BTW, zijnde de BTW voor eiseres geen verrekenpost.

J.B. Vlees B.V. heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 29 oktober 1998 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Almelo.

Bij vonnis van 15 maart 2000 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter van 29 oktober 1998 vernietigd en opnieuw rechtdoende J.B. Vlees B.V. veroordeeld om aan [eiseres] te betalen:

I. een bedrag van ƒ 354,17, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de data met ingang waarvan J.B. Vlees B.V. telkens in verzuim is tot aan de dag van de algehele voldoening;

II. in aanvulling op haar WAO-uitkering 30% van het op grond van de CAO aan [eiseres] toekomende loon, zulks over de periode 25 december 1997 tot en met 28 februari 1998, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de data met ingang waarvan J.B. Vlees B.V. telkens in verzuim is tot aan de dag van de algehele voldoening;

III. een vertragingsvergoeding ex art. 7:625 BW van 20% over de in de onderdelen I en II van het dictum bedoelde bedragen (exclusief wettelijke rente), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de data met ingang waarvan J.B. Vlees B.V. telkens in verzuim is tot aan de dag van de algehele voldoening;

IV. ter zake van buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van ƒ 800,--, en

V. het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen J.B. Vlees B.V. is verstek verleend.

[Eiseres] heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat en mede door mr. S.F. Sagel, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] is op 3 februari 1992 voor bepaalde tijd (een jaar) in dienst getreden van J.B. Vlees B.V. in de functie van vleesbewerkster. De arbeidsovereenkomst is jaarlijks verlengd. Per 3 februari 1996 bedroeg haar salaris ƒ 2.363,20 bruto per maand.

(ii) Op 21 oktober 1996 is [eiseres] uitgevallen wegens ziekte. Zij is sedertdien ziek gebleven.

(iii) Met ingang van 21 oktober 1997 ontvangt [eiseres] een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

(iv) Art. 39 van de CAO voor de Vleesgroothandel en exportslachterijen (hierna: de CAO) zoals deze luidde in de jaren 1996, 1997 en 1998 geeft recht op suppletie bij ziekte; lid 1 bepaalt dat gedurende de eerste 52 weken het loon zoals omschreven in het derde lid van deze bepaling wordt doorbetaald; lid 2 bepaalt dat vervolgens gedurende het eerste jaar dat een uitkering krachtens de WAO en de AWW wordt genoten, een aanvulling van 30% zal plaatsvinden van het laatstgenoten loon als bedoeld in het derde lid. In dat derde lid wordt bepaald dat onder loon in art. 39 wordt verstaan het bedrag dat de betrokken werknemer gemiddeld per dag netto heeft verdiend in de dertien weken die zijn voorafgegaan aan de week waarin de werknemer arbeidsongeschikt werd, met inbegrip van de verdiensten op grond van regelmatig overwerk doch met uitzondering van vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en eventuele eenmalige uitkeringen.

(v) J.B. Vlees B.V., een onderneming als bedoeld in art. 1, aanhef en lid 1 onder a, van de CAO, is niet aangesloten bij de Centrale Organisatie voor de Vleesgroothandel die partij is bij de CAO.

(vi) De CAO is in haar verschillende versies algemeen verbindend verklaard voor de volgende perioden: 28 maart 1996 - 31 maart 1996; 26 december 1996 - 31 maart 1997; 25 december 1997 - 28 februari 1998.

3.2 [Eiseres] heeft gevorderd J.B. Vlees B.V. te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 20.183,80 ter zake van achterstallig loon, alsmede tot betaling van een aanvulling op de WAO-uitkering ad 30% conform art. 39 van de CAO vanaf februari 1998 tot het tijdstip waarop [eiseres] op grond van de bepalingen van de CAO geen aanspraak meer kan maken op deze aanvulling.

De Kantonrechter, oordelende dat de CAO zoals deze destijds luidde niet van toepassing was, heeft de vordering afgewezen.

In hoger beroep heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiseres] gedeeltelijk toegewezen en J.B. Vlees B.V. veroordeeld als hiervoor onder 1 vermeld.

3.3.1 De Rechtbank heeft geoordeeld dat [eiseres] in de periodes waarin art. 39 verbindend is geweest recht op suppletie heeft, maar niet in de tussenliggende periodes - 1 april tot en met 24 december 1997 en 1 maart tot 21 oktober 1998 -, nu art. 39 niet algemeen verbindend was ten tijde van haar uitval wegens arbeidsongeschiktheid - 21 oktober 1996 - en zich dus niet het geval voordoet dat aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 1994, nr. 15240, NJ 1994, 420. Slechts voor dat geval - de werknemer die op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt is geworden, krachtens algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een CAO tegenover de werkgever recht kan doen gelden op doorbetaling van salaris of aanvulling van wegens die arbeidsongeschiktheid genoten uitkeringen over een in die bepalingen omschreven tijdvak - heeft, zo oordeelde de Rechtbank, de Hoge Raad aanvaard dat het aldus verkregen recht niet wordt aangetast doordat in de loop van dat tijdvak de bedoelde bepalingen ophouden algemeen verbindend te zijn.

3.3.2 Middel I betoogt dat de Rechtbank aldus oordelende heeft miskend dat de leer van het arrest van 28 januari 1994 moet worden doorgetrokken naar een situatie als de onderhavige, waarin de algemeen verbindendverklaring kort na de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid - en in elk geval binnen 24 maanden nadien - plaatsvond.

3.3.3 Het middel is gegrond. Het oordeel van de Rechtbank dat ingevolge art. 39 ook de werknemer die op het tijdstip van algemeen verbindendverklaring reeds ziek/arbeidsongeschikt is, recht heeft op suppletie, is in cassatie niet bestreden. Dit recht vangt aan op het tijdstip van de algemeen verbindendverklaring. Nu art. 39 het recht op suppletie geeft voor twee jaren te rekenen vanaf de dag dat de werknemer ziek wordt, gaat het om een recht op suppletie voor een bepaald tijdvak. Een dergelijk verkregen recht wordt, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn hiervoor genoemd arrest, niet aangetast doordat de CAO-bepaling waarop het berust in de loop van dat tijdvak ophoudt algemeen verbindend te zijn.

3.4 In rov. 6d heeft de Rechtbank geoordeeld dat [eiseres] over de periode van 26 december 1996 tot en met 31 maart 1997 jegens J.B. Vlees B.V. recht op aanvulling van het haar volgens de CAO toekomende loon tot 100% heeft, "evenwel zonder de inconveniëntentoeslag. Deze toeslag is een vergoeding die slechts bestemd is voor die mensen die ook werkelijk werkzaamheden verrichten, niet voor hen die ziek zijn (zie artikel 19, lid 1 van de CAO)."

3.5 Middel II voert terecht aan dat voor het antwoord op de vraag of de inconveniëntentoeslag in de suppletie dient te worden betrokken, niet doorslaggevend is dat in art. 19 lid 1 van de CAO is bepaald dat die toeslag toekomt aan de werknemer die daadwerkelijk de daar genoemde werkzaamheden verricht. Beslissend is dat volgens art. 39 lid 3 van de CAO in dit artikel onder loon wordt verstaan het bedrag dat de betrokken werknemer gemiddeld per dag netto heeft verdiend in de 13 weken die zijn voorafgegaan aan de week waarin de werknemer arbeidsongeschikt werd met inbegrip van verdiensten op grond van regelmatig overwerk en met uitzondering van vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en eventuele eenmalige uitkeringen. De Rechtbank is dus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Middel II slaagt derhalve evenzo.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Almelo van 15 maart 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt J.B. Vlees B.V. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.765,04 in totaal, waarvan € 1.726,47 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 38,57 aan [eiseres].

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 juni 2002.