Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0631

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2002
Datum publicatie
31-05-2002
Zaaknummer
C00/107HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE0631
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verhaalswet ongevallen ambtenaren 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 311
NJ 2004, 161 met annotatie van J. Hijma
RvdW 2002, 90
VR 2002, 216
JWB 2002/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 mei 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/107HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie, incidenteel verweerster,

advocaat: voorheen mr. S.V. Langeveld, thans mr. D. Rijpma,

t e g e n

STICHTING PENSIOENFONDS ABP, voorheen het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, gevestigd te Heerlen,

VERWEERSTER in cassatie, incidenteel eiseres,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: het ABP - heeft bij exploit van 22 december 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en - na wijziging van eis - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, [eiseres] te veroordelen om aan het ABP te betalen een bedrag van ƒ 180.313,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 28.419,64 vanaf 4 oktober 1985, over ƒ 142.925,36 vanaf 28 augustus 1988, alsmede over ƒ 8.968,-- vanaf de dag van de dagvaarding, en te verminderen met een bedrag van ƒ 9.541,--.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 5 november 1997 [eiseres] veroordeeld tot betaling aan het ABP van een bedrag van ƒ 171.345,--, vermeerderd met de wettelijke rente over:

- ƒ 28.419,64 vanaf 4 oktober 1985,

- over ƒ 35.425,-- vanaf 28 augustus 1986,

- over de nominale uitkeringen verricht door het ABP van 1 augustus 1986 tot 1 juli 1992, telkens op de eerste van elke maand volgende op de maand waarin de uitkering plaatsvond,

- het gekapitaliseerde bedrag vanaf 1 juli 1992, alles tot aan de voldoening, en verminderd met ƒ 9.541,--.

Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het ABP heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 16 december 1999 heeft het Hof in het principaal appel het beroep verworpen en in het incidenteel appel het vonnis waarvan beroep vernietigd, maar uitsluitend voorzover daarbij de gevorderde buitengerechtelijke kosten met rente werd afgewezen. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof [eiseres] veroordeeld om aan het ABP ter zake van buitengerechtelijke kosten te voldoen een bedrag van ƒ 8.968,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 december 1994 tot de voldoening.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. Het ABP heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 17 mei 1982 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen [eiseres] en [betrokkene 1], die respectievelijk reden op een fiets en een bromfiets. [Betrokkene 1] heeft daarbij zijn linkerheup gebroken.

(ii) [Betrokkene 1], ten tijde van het ongeval 54 jaar oud, was werkzaam als bode in dienst van het Gemeentevervoerbedrijf te Amsterdam en als zodanig ambtenaar in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet.

(iii) [Betrokkene 1] is met ingang van 1 oktober 1984 afgekeurd voor zijn werkzaamheden.

(iv) ABP heeft vanaf 1 oktober 1984 tot 1 november 1992, de datum waarop [betrokkene 1] de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, aan en ten behoeve van [betrokkene 1] uitkeringen als bedoeld in art. 2 Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA) gedaan. ABP heeft vervolgens op de voet van art. 2 VOA verhaal gezocht ter zake van deze uitkeringen.

(v) ABP en het Bureau Schade-afwikkeling van het Ministerie van Financiën, dat destijds de claim van ABP behandelde, hebben sinds eind 1984 gecorrespondeerd met de onderlinge schadeverzekeringsmaatschappij Woudsend Anno 1816 UA (verder te noemen: Woudsend), bij welke maatschappij [eiseres] voor wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd.

(vi) Bij brieven van 1 oktober 1986 en 26 november 1990 heeft Woudsend de aansprakelijkheid voor de verhaalsvordering van ABP als zodanig erkend. Woudsend heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de vordering is beperkt tot een bedrag van ƒ 9.541,04, welk bedrag zij ook heeft voldaan.

3.2 ABP heeft van [eiseres] betaling gevorderd op de voet van art. 2 en 3 VOA respectievelijk art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW van een bedrag van ƒ 171.345,-- ter zake van gedane uitkeringen en van een bedrag van ƒ 8.968,-- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente en verminderd met het reeds betaalde bedrag van ƒ 9.541,--. De Rechtbank veroordeelde [eiseres] tot betaling aan ABP van ƒ 171.345,--, verminderd met ƒ 9.541,-- en vermeerderd met de wettelijke rente.

[Eiseres] heeft hoger beroep ingesteld, ABP incidenteel appel. Het Hof heeft het principaal hoger beroep verworpen en in het incidenteel hoger beroep het vonnis vernietigd, doch uitsluitend voorzover daarbij de gevorderde buitengerechtelijke kosten met rente werden afgewezen, en [eiseres] veroordeeld aan ABP ter zake van buitengerechtelijke kosten een bedrag van ƒ 8.968,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijk rente.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Het Hof heeft geoordeeld dat overmacht aan de zijde van [betrokkene 1] voldoende aannemelijk was omdat, gelet op de beschrijving van de toedracht van het ongeval in het door de politie opgemaakte registratieformulier luidende:

"De 14-1 [[eiseres]] en 14-2 [[betrokkene 1]] kwamen beiden over het fietspad van het Rhijnspoorplein komende uit de richting van de Wibautstraat en gaande in de richting van het Weesperplein. Ter hoogte van de kruising van het fietspad met het fietspad vanaf de Mauritskade maakte de fietster een bocht naar links, met de bedoeling haar weg in de richting van de Torontobrug te vervolgen, juist op het moment, dat de bromfietser haar links inhaalde. De 14-1 gaf geen richting aan, waardoor de 14-2 tegen haar opreed en beiden kwamen te vallen."

De verkeersfout van [eiseres] - het linksaf slaan zonder richting aan te geven op het moment dat [betrokkene 1] haar aan het inhalen was - voor [betrokkene 1] zo onwaarschijnlijk was dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden. Dit oordeel, dat aldus moet worden begrepen dat [betrokkene 1] bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met bedoelde mogelijkheid in redelijkheid geen rekening behoefde te houden, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip overmacht in de zin van art. 31 lid 1 (oud) WVW en is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Onderdeel 1 klaagt weliswaar dat het Hof heeft miskend dat een bromfietser die een fietser inhaalt terwijl er een zijweg links in het verschiet ligt, erop bedacht dient te zijn dat de fietser zonder richting aan te geven linksaf kan slaan, maar deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden: het Hof is immers ervan uitgegaan dat het ongeval plaatsvond ter hoogte van de kruising juist op het moment dat [betrokkene 1] [eiseres] inhaalde. Voorzover in het onderdeel voorts nog besloten ligt dat bij een inhaalmanoeuvre als de onderhavige nimmer sprake kan zijn van overmacht indien deze wordt uitgevoerd terwijl een zijweg links in het verschiet ligt, faalt het nu deze stelling in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht. Onderdeel 1 faalt dus in zijn geheel.

4.2 In rov. 4.19 heeft het Hof geoordeeld dat de door ABP gemaakte buitengerechtelijk kosten toewijsbaar zijn omdat het redelijk moet worden geacht dat ABP deze kosten heeft gemaakt terwijl hetzelfde voor de omvang van die kosten geldt.

4.3 Onder verwijzing naar HR 18 februari 1994, nr. 15246, NJ 1995, 607 en HR 29 april 1994, nr. 15302, NJ 1995, 609 strekt onderdeel 2 ten betoge dat in VOA-zaken geen plaats is voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten.

Het onderdeel ziet eraan voorbij dat uit bovengenoemde arresten slechts kan worden afgeleid dat buitengerechtelijke kosten niet op de voet van art. 2 VOA voor vergoeding in aanmerking komen en dat uit HR 5 december 1997, nr. 16432, NJ 1998, 400, volgt dat dergelijke kosten wel op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW voor vergoeding in aanmerking komen. Het Hof is derhalve uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. De klacht faalt.

4.4 Onderdeel 3 bouwt voort op de onderdelen 1 en 2 en deelt derhalve het lot daarvan.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 Het Hof heeft in rov. 4.2 geoordeeld dat, gelet op het karakter van de verhaalsvordering zoals die uit het bepaalde bij de VOA, in het bijzonder uit art. 2 van die wet, blijkt alsmede gelet op de ruime strekking die blijkens de wetsgeschiedenis aan het begrip "rechtsvordering tot vergoeding van schade" in art. 3:310 BW toekomt, op de onderhavige vordering de in dat artikel (lid 1) bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is.

5.2 Het middel strekt ten betoge dat de vordering van art. 2 VOA een vordering tot verhaal van kosten betreft en niet een vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in art. 3:310 BW zodat de algemene verjaringstermijn van 20 jaren van art. 3:306 BW van toepassing is.

Het Hof heeft echter terecht geoordeeld dat de op art. 2 VOA gebaseerde verhaalsvordering voor de beantwoording van de vraag, welke verjaringstermijn moet gelden, dient te worden gekwalificeerd als een vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in art. 3:310 BW. Immers het verhaalsrecht van het verhalend lichaam mag ingevolge de bepaling van art. 3 VOA niet ertoe leiden dat de laedens in een slechtere positie komt te verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd ingeval hij door de getroffene zelf tot schadevergoeding zou zijn aangesproken en zulks niet alleen geldt voor de hoogte van de vordering doch ook voor de beantwoording van de vraag aan welke verjaringstermijn de verhaalsvordering is onderworpen. Het Hof is derhalve uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. Het middel faalt.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABP begroot op € 2.199,56 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt ABP tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 31 mei 2002.