Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0629

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
C00/030HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE0629
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 338
RvdW 2002, 99
NJ 2003, 689
JWB 2002/222

Uitspraak

14 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/030HR

MP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. de vereniging NEDERLANDSE VAKBOND VAN VARKENSHOUDERS, gevestigd te Barneveld,

2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats],

3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats],

4a. [Eiser 4a],

4b. [Eiseres 4b],

4c. [Eiser 4c], allen wonende te [woonplaats],

4d. [Eiseres 4d], gevestigd te [vestigingsplaats]],

5. [Eiser 5], wonende te [woonplaats],

6a. [Eiser 6a],

6b. [Eiseres 6b],

beiden wonende te [woonplaats],

7a. [Eiser 7a],

7b. [Eiseres 7b],

7c. [Eiser 7c],

7d. [Eiser 7d],

allen wonende te [woonplaats],

8. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging [eiseres 8], gevestigd te [vestigingsplaats] (Bondsrepubliek Duitsland),

EISERS tot cassatie, incidenteel verweerders,

advocaat: mr. D. Rijpma,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij), gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: NVV c.s., eiser tot cassatie sub 1 afzondelijk: NVV, en eisers tot cassatie sub 2 tot en met 8: [eiser] c.s. - hebben bij exploit van 21 april 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I.

Primair: de Staat te bevelen alle adressanten van de brief van Bureau Heffingen van 25 maart 1999 binnen drie dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk te berichten dat de brief van 25 maart 1999 en de brief van eind maart 1999 inzake Bevar worden ingetrokken en als niet verzonden moeten worden beschouwd, middels de in het petitum van de dagvaarding geciteerde tekst;

Subsidiair: de Staat te bevelen alle adressanten van de brief van Bureau Heffingen van 25 maart 1999 binnen drie dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk te berichten dat bepaalde zinsneden uit de brief van 25 maart 1999 onjuist zijn en als niet geschreven kunnen worden beschouwd, en dat de brief van eind maart 1999 inzake Bevar ingetrokken wordt en als niet verzonden moet worden beschouwd, middels een brief met de in het petitum van de dagvaarding geciteerde tekst;

Meer subsidiair: de Staat te bevelen het primair of subsidiair gevorderde middels publicatie in het Agrarisch Dagblad en de Trog openbaar te maken binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, middels de in het petitum van de dagvaarding geciteerde tekst, en bij toewijzing van het primair of subsidiair gevorderde de Staat te bevelen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis een lijst met de adressanten van de brief van 25 maart 1999 aan NVV te verstrekken, dit alles op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000.000,-- voor elke dag of een gedeelte van de dag dat de Staat nalaat geheel of gedeeltelijk aan de onder I gegeven bevelen te voldoen;

II. de Staat te verbieden om na betekening van dit vonnis nog enige uitvoering te (doen) geven aan het gestelde in de brief van 25 maart 1999 en aan het gestelde in de brief van eind maart 1999 inzake Bevar, althans - subsidiair - aan die brieven voorzover door de President op gedeelten onjuist bevonden en waarvan intrekking/rectificatie (in de zin zoals onder I subsidiair en meer subsidiair gevorderd) door de President is bevolen, nog enige uitvoering te geven, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000.000,-- per overtreding;

III. te bepalen dat de Staat bij iedere (nieuwe) overtreding van het gebod van de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage, bij vonnis van 23 februari 1999 onder rolnummer 99/58 opgelegd, per overtreding een dwangsom van ƒ 1.000.000,-- verbeurt.

De Staat heeft de vorderingen bestreden.

De President heeft bij vonnis van 4 mei 1999:

I. de Staat bevolen binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis in het eerstvolgende nummer van de Trog de in het dictum van dit vonnis geciteerde tekst te (doen) publiceren, op straffe van een dwangsom van ƒ 500.000,-- per dag;

II. de Staat verboden ten aanzien van de leden van NVV en ten aanzien van de eisers 2 tot en met 8 consequenties te verbinden aan het al dan niet terugontvangen van de begin april jl. aan hen toegezonden verklaringen van geen bezwaar, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 100.000,-- per overtreding;

III. bepaald dat de Staat bij overtreding van het bij vonnis van 23 februari 1999 met rolnummer 99/58 opgelegde gebod een dwangsom verbeurt van ƒ 1.000.000,-- per overtreding, en

IV. het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. NVV c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 18 november 1999 heeft het Hof in het principaal appel het bestreden vonnis, voorzover gewezen tussen thans eisers tot cassatie sub 2 tot en met 8 en de Staat en voorzover de Staat in de kosten van de procedure werd veroordeeld, bekrachtigd, het vonnis voorzover gewezen tussen NVV en de Staat vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoede, de vordering van NVV afgewezen. In het incidenteel appel heeft het Hof het beroep verworpen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben NVV c.s. beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt in het principaal beroep tot verwerping van dat beroep en in het incidenteel beroep tot vernietiging van het bestreden arrest en van het vonnis van de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 4 mei 1999, tot afwijzing van de vorderingen van alle eisers en tot veroordeling van eisers in de kosten van alle instanties.

3. Uitganspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In een door NVV c.s. tegen de Staat aangespannen bodemprocedure, kort gezegd gericht tegen de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv), heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 23 december 1998 de zaak voor nader onderzoek aangehouden ten aanzien van de primaire, EG-rechtelijke grondslag van de vorderingen, doch wel reeds een definitief oordeel gegeven over de vraag of in casu sprake is van strijd met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. In rov. 17 overweegt de Rechtbank te dien aanzien "reeds thans zonder voorbehoud dat indien de primaire vordering wordt afgewezen, de subsidiaire vordering zal worden toegewezen met dien verstande dat de rechtbank bij afwijzing van de primaire vordering zal bepalen dat hoofdstuk II t/m IV van de Whv buiten toepassing dienen te worden gelaten totdat zal zijn voorzien in een adequate schadevergoedingsregeling voor de eigenaren van mestproductierechten". Een beslissing op dit punt werd aangehouden.

(ii) De Staat heeft op 13 januari 1999 hoger beroep tegen voormeld tussenvonnis ingesteld bij het Hof en NVV c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld.

(iii) Hangende dit hoger beroep hebben NVV c.s. een kort geding aangespannen tegen de Staat. In dat kort geding heeft de President bij vonnis van 23 februari 1999 de Staat bevolen de hoofdstukken II tot en met IV van de op 1 september 1998 in werking getreden Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) ten aanzien van de leden van NVV en ten aanzien van [eiser] c.s. buiten toepassing te laten totdat: hetzij in de bodemprocedure is beslist dat de Whv niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, hetzij is voorzien in een adequate schadevergoedingsregeling.

(iv) Op het door de Staat ingestelde hoger beroep is het vonnis van 23 februari 1999 door het Hof bij arrest van 10 juni 1999 bekrachtigd. Het tegen dit arrest door de Staat ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 19 mei 2000, nr. C99/228, NJ 2001, 407, verworpen.

(v) Bij brief van 25 maart 1999 heeft het Bureau Heffingen van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij alle varkenshouders in Nederland op de hoogte gesteld van het vonnis van 23 februari 1999, het daartegen ingestelde hoger beroep, de in voorbereiding zijnde tijdelijke wettelijke maatregelen (waarbij onder meer de in de Whv opgenomen eerste generieke korting van 10% zou worden opgeschort, maar voor het overige weer een limiet zou worden gesteld aan de varkensmestproductie) en de gevolgen voor hun bedrijven. De brief vermeldt dat verhandeling en opkoop van varkensrechten en de registratie van de kennisgevingen daarvan gewoon kunnen doorgaan, indien partijen uitdrukkelijk verklaren daartegen geen bezwaar te hebben. Voorts wordt uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de terugwerkende kracht van de voorgenomen tijdelijke wettelijke maatregel en aangekondigd dat strafrechtelijke vervolging zal plaatsvinden indien een bedrijf in de periode van 23 februari 1999 t/m 31 december 1999 meer varkens heeft gehouden dan toegestaan op grond van de varkensrechten die in het bedrijf mogen worden geproduceerd.

Varkenshouders die een subsidieaanvraag hadden ingediend op grond van de Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de Ecologische Hoofdstructuur ("Bevar"), kregen daarnaast eind maart 1999 nog een brief van de minister van Landbouw (de Dienst landelijk gebied), waarin werd vermeld, dat geen beschikking subsidieverlening kon worden afgegeven zonder verklaring van de aanvrager, dat hij geen bezwaar heeft tegen de afhandeling van de Bevar-aanvraag en tegen registratie van de kennisgeving van overgang respectievelijk doorhaling van het varkensrecht door het Bureau Heffingen. Bij die brief was een verklaring van geen bezwaar gevoegd en in de brief werd medegedeeld, dat de Bevar-aanvraag zou worden afgewezen, indien die verklaring, ingevuld en ondertekend, niet binnen vier weken zou zijn geretourneerd.

Begin april 1999 zijn naar die varkenshouders die (vóór 23 februari 1999) aan het Bureau Heffingen een kennisgeving van transactie hadden gedaan, de in de brief van 25 maart 1999 aangekondigde verklaringen van geen bezwaar verzonden met het verzoek, indien geen bezwaar tegen registratie bestond, de ondertekende verklaring binnen vier weken terug te sturen. Daarbij werd erop gewezen, dat, indien de verklaring niet tijdig werd geretourneerd, er niet zou worden geregistreerd en de transactieformulieren zouden worden teruggezonden.

3.2.1 NVV c.s. hebben vervolgens in het onderhavige kort geding de hiervóór in 1 weergegeven vorderingen ingesteld.

De President heeft bij vonnis van 4 mei 1999, kort samengevat en voorzover in cassatie van belang,

I. de Staat bevolen om in de Trog (het ledenorgaan van NVV) een publicatie op te nemen als in het vonnis vermeld, erop neerkomend dat de in de brief van 25 maart 1999 opgenomen zinsnede dat de verhandeling en opkoop van varkensrechten gewoon konden doorgaan als partijen uitdrukkelijk verklaarden daartegen geen bezwaar te hebben, onjuist was en als niet geschreven kon worden beschouwd en dat de verklaringen van geen bezwaar ten onrechte waren verzonden en hetzelfde gold voor de verklaringen die door de Dienst landelijk gebied met betrekking tot de Bevar waren verzonden;

II. de Staat verboden ten aanzien van NVV c.s. consequenties te verbinden aan het al dan niet terug ontvangen van de verklaringen van geen bezwaar, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 100.000,-- voor iedere overtreding;

III. bepaald dat de Staat bij overtreding van het bij het vonnis van 23 februari 1999 opgelegde gebod een dwangsom verbeurt van ƒ 1.000.000,-- per overtreding.

3.2.2 Het Hof heeft bij arrest van 18 november 1999

a. in het door de Staat ingestelde principale appel:

a.1 het vonnis van 4 mei 1999 bekrachtigd voorzover gewezen tussen [eiser] c.s. en de Staat en voorzover daarbij de Staat in de kosten van de procedure werd veroordeeld;

a.2 het vonnis vernietigd voorzover gewezen tussen NVV en de Staat en, in zoverre opnieuw rechtdoende,

a.3 de vorderingen van NVV afgewezen,

b. in het door NVV c.s. ingestelde incidentele appel het beroep verworpen.

Het Hof heeft daartoe, samengevat weergegeven en voorzover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

(1) De Staat heeft onbestreden verklaard, dat inmiddels alle uit het vonnis van 23 februari 1999 voortvloeiende consequenties gelden voor NVV-leden en leden van LTO-Nederland. Bij dat vonnis is slechts bij wege van voorlopige maatregel bevolen de Whv buiten toepassing te laten en de mogelijkheid dat dit ten onrechte is geschied en de Whv alsnog verbindend zal blijken, is niet uitgesloten.

(2) Niet buiten toepassing zijn verklaard de Opkoopregeling varkenshouderij ("de Opkoopregeling") en de Bevar, welke beide regelingen hun basis vinden in de Kaderwet LNV-subsidies en de mogelijkheid bieden subsidie aan te vragen in verband met de beëindiging van een varkenshouderij. De aanvragen daartoe konden volgens art. 11 van de Opkoopregeling onderscheidenlijk art. 5 van de Bevar, tot en met 30 november 1999 onderscheidenlijk tot en met 30 juni 1999 worden ingediend.

(3) Geen subsidie op basis van de Opkoopregeling en de Bevar kan worden toegekend, indien de Whv buiten toepassing moet worden gelaten.

Goed denkbaar is nu, dat een individuele varkenshouder niet het risico wil lopen, dat achteraf blijkt dat het bevel om de Whv buiten toepassing te laten ten onrechte is gegeven en dat hij meer waarde hecht aan toepassing van de Whv op zijn individuele situatie. Nu de aard van de uitspraak zich daartegen niet verzet, biedt art. 3:305a lid 5 BW in een dergelijk geval de individuele varkenshouder de mogelijkheid zich tegen de werking van het vonnis van 23 februari 1999 te verzetten.

(4) Behoudens ten aanzien van [eiser] c.s. is er geen rechtsregel die een initiatief verbiedt als door de Staat genomen om alle varkenshouders erop te wijzen dat de mogelijkheid bestond - voor wie dat uitdrukkelijk verklaarde - af te zien van de werking van het vonnis ten opzichte van hem.

(5) De Staat heeft niet onzorgvuldig gehandeld door in de brieven te verlangen dat de verklaringen van geen bezwaar (zowel die ten aanzien van de registratie van kennisgeving van transactie als die ten aanzien van aanvragen in het kader van de Opkoopregeling en de Bevar) binnen vier weken zouden worden geretourneerd. Deze termijn is te zien als een termijn waarbinnen de Staat wenste te vernemen of de aangeschreven varkenshouder al dan niet instemde met de voorlopige maatregel. Wanneer een varkenshouder geen gebruik maakte van de geboden mogelijkheid om een verklaring van geen bezwaar in te dienen (m.a.w. te kennen gaf af te zien van de werking van het vonnis ten opzichte van hem), wist de Staat - na verstrijken van de termijn - dat de betrokken varkenshouder wenste dat het vonnis tegen de Staat zou worden gehandhaafd.

(6) Evenmin is onzorgvuldig te achten dat de Staat zich het recht voorbehield aan de varkenshouder die hem aan het vonnis wilde houden, zulks in een later stadium tegen te werpen. Wie een kort-gedingvonnis wenst uit te voeren of uitgevoerd te zien, weet, althans behoort te weten, dat hij zijn handelen baseert op een voorlopige maatregel, zodat door zijn handelen veroorzaakte schade, indien deze maatregel in de bodemprocedure geen stand houdt, in beginsel als door zijn schuld veroorzaakt heeft te gelden.

(7) Wel onzorgvuldig acht het Hof de bedreiging met strafvervolging ter zake van overtreding van het volgens een voorgenomen noodwet met terugwerkende kracht geldende uitbreidingsverbod, hoewel dit, zoals de Staat thans ook zelf stelt, gelet op art. 1 lid 1 Sr. een loze bedreiging is. Nu de toegewezen rectificatie inmiddels in de Trog is gepubliceerd, terwijl uit de hiervoor onder (3) en (5) weergegeven overwegingen volgt dat dit ten onrechte is geschied en de vorderingen van NVV c.s. te dien aanzien ten onrechte zijn toegewezen, acht het Hof het niet opportuun te bevelen ten aanzien van de loze bedreiging met strafvervolging opnieuw een brief te doen uitgaan dan wel een rectificatie te publiceren. Ook die vordering zal derhalve worden afgewezen.

(8) Ten aanzien van [eiser] c.s. was het wel onzorgvuldig van de Staat om hun de omstreden brieven te zenden. Zij traden immers zelf in het geding op en op hen is art. 3:305a BW dan ook niet van toepassing. Door de uitspraak van het Hof hebben [eiser] c.s. echter geen belang bij de in het incidenteel appel gevorderde rectificaties.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Onderdeel 1 is gericht tegen het hiervoor in 3.2.2 onder (3) weergegeven oordeel van het Hof dat de aard van de uitspraak zich niet ertegen verzet dat de individuele varkenshouder zich tegen de werking van het vonnis van 23 februari 1999 verzet, zoals bedoeld in art. 3:305a lid 5 BW.

Onderdeel 1.1 wijst erop dat de President in haar vonnis van 23 februari 1999 de Staat geboden heeft de hoofdstukken II tot en met IV van de Whv ten aanzien van de leden van NVV en ten aanzien van [eiser] c.s. vooralsnog buiten toepassing te laten, zulks op de grond dat de Rechtbank in de bodemzaak heeft geoordeeld dat de Whv, voorzover betrekking hebbend op het systeem van varkens- en fokzeugenrechten, bij gebreke van een adequate schadevergoedingsregeling voor de eigenaren van de mestproductierechten in strijd is met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het onderdeel klaagt in de eerste plaats, kort samengevat, dat het Hof heeft miskend dat in een dergelijk geval, waarin volgens een rechterlijke uitspraak een wet in formele zin als zodanig in strijd is met een direct werkende verdragsbepaling, en die wet dus buiten toepassing moet blijven, art. 3:305a principieel niet voor toepassing in aanmerking kan komen.

Deze klacht faalt. Een dergelijke uitspraak geeft slechts rechten aan de partijen die haar hebben verkregen, zij het dat derden kunnen profiteren van het praktische gevolg, gelegen in de verwachting dat de rechter die deze uitspraak heeft gedaan, in volgende soortgelijke zaken in dezelfde zin zal beslissen (vgl. HR 1 juli 1983, nr. 12118, NJ 1984, 360). De omstandigheid dat het door de President gegeven bevel gegrond is op het oordeel dat de betrokken wettelijke regeling in strijd is met een een ieder verbindende bepaling van een verdrag, rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat, in de bewoordingen van art. 3:305a lid 5, de aard van deze uitspraak meebrengt dat de werking ervan niet slechts kan worden uitgesloten ten opzichte van de persoon die zich verzet tegen werking van de uitspraak ten opzichte van hem.

Ook de in onderdeel 1.2 genoemde stellingen, die deels in wezen een herhaling vormen van het in onderdeel 1.1 gestelde en zich voor het overige kort laten samenvatten als erop neerkomend dat het in individuele gevallen toestaan van afwijkingen van het door de President opgelegde bevel de varkenshouders voor problemen stelde, rechtvaardigen niet de conclusie dat de aard van de uitspraak zich tegen toepassing van art. 3:305a lid 5 verzet. Ook dit onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4.2 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte art. 3:305a lid 5 van toepassing heeft geacht, alhoewel in de litigieuze brieven en aan de varkenshouders toegezonden verklaringen niet uitdrukkelijk een beroep op deze bepaling is gedaan en evenmin is gebleken dat varkenshouders zich met zoveel woorden op deze bepaling hebben beroepen. Het onderdeel faalt, nu het voor de toepasselijkheid van art. 3:305a lid 5 een eis stelt die geen steun vindt in het recht.

4.3 Onderdeel 3 is gericht tegen een overweging die het Hof in rov. 7 heeft toegevoegd aan de hiervoor in 3.2.2 onder (4) weergegeven overwegingen. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, aangezien het is gericht tegen een overweging die de beslissing van het Hof niet draagt.

4.4 Onderdeel 4 keert zich tevergeefs tegen het hiervoor in 3.2.2 onder (4) weergegeven oordeel. Het betoogt in de eerste plaats dat met de strekking van art. 3:305a lid 5 niet verenigbaar is dat de veroordeelde partij het initiatief zou kunnen nemen om een belanghebbende te bewegen zich tegen de werking van het vonnis ten opzichte van hem te verzetten. Deze opvatting vindt evenwel geen steun in het recht.

Voorzover het onderdeel strekt ten betoge dat ingevolge de werking van algemene beginselen van behoorlijk bestuur de Staat in het onderhavige geval niet het initiatief had mogen nemen, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien het een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is.

4.5 Onderdeel 5 is gericht tegen de in 3.2.2 onder (5) en (6) weergegeven oordelen van het Hof. De in dit onderdeel aangevoerde rechtsklachten komen, naar de kern genomen, erop neer dat de bestreden oordelen in het licht van de in het onderdeel gerelateerde, deels nieuwe, stellingen van NVV onjuist zijn. Aldus miskent het onderdeel dat 's Hofs oordelen in belangrijke mate berusten op afwegingen van feitelijke aard, die aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, zijn voorbehouden, en dat 's Hofs oordeel derhalve in cassatie slechts in beperkte mate op juistheid kan worden getoetst. Daarbij verdient opmerking dat het Hof klaarblijkelijk in zijn oordeel heeft betrokken dat de Staat aan de gewraakte termijn geen fatale gevolgen heeft verbonden en aldus van een onaanvaardbare druk geen sprake kon zijn. De klachten, die hieraan voorbij zien, zijn derhalve tevergeefs voogesteld.

Ook de motiveringsklacht van het onderdeel faalt, aangezien het onderdeel geen in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen aanwijst, die het Hof ten onrechte niet in de motivering van zijn arrest heeft betrokken.

4.6 Onderdeel 6, dat is gericht tegen het hiervoor in 3.2.2 onder (7) weergegeven oordeel, faalt eveneens. Het stond het Hof vrij om, zoals het heeft gedaan, op grond van een belangenafweging te beslissen dat het niet opportuun was om de Staat te bevelen ten aanzien van de loze bedreiging met strafvervolging in de brief van 25 maart 1999 opnieuw een brief uit te doen gaan dan wel een rectificatie te publiceren.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

Onderdeel 1 is gericht tegen het hiervoor in 3.2.2 onder (8) weergegeven oordeel van het Hof.

Het houdt in de eerste plaats de klacht in dat het Hof heeft miskend dat de omstandigheid dat art. 3:305a lid 5 BW als zodanig niet op [eiser] c.s. van toepassing is, niet eraan in de weg staat dat zij desgewenst konden afzien van de werking van het vonnis van de President. Deze klacht slaagt. Degene die een veroordelend vonnis tegen een ander heeft verkregen, kan, wanneer het gaat om rechten waarover hij de vrije beschikking heeft, in beginsel afzien van de uitoefening van de rechten die het vonnis hem geeft, en kan daarvan in beginsel ook afstand doen. Het staat de wederpartij in beginsel vrij hem op die mogelijkheid te wijzen.

De gegrondbevinding van deze klacht brengt mee dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.

6. Verdere behandeling

De gegrondbevinding van onderdeel 1 van het middel in het incidentele beroep brengt mee dat het arrest van het Hof vernietigd moet worden voorzover het is gewezen tussen de Staat en [eiser] c.s. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. NVV c.s. hebben gezamenlijke vorderingen ingesteld en hebben deze gebaseerd op gemeenschappelijke stellingen. Nu de klachten tegen de afwijzing van de vorderingen, voorzover ingesteld door NVV, ongegrond zijn bevonden, brengt de gegrondbevinding van onderdeel 1 van het middel in het incidentele beroep tevens mee dat de vorderingen ook moeten worden afgewezen voorzover ingesteld door [eiser] c.s. Het is in dit verband niet van belang dat art. 3:305a lid 5 niet van toepassing is op [eiser] c.s.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt NVV c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 november 1999, voorzover daarbij het bestreden vonnis is bekrachtigd en voorzover daarbij de kosten van het hoger beroep zijn gecompenseerd;

vernietigt het vonnis van de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 4 mei 1999, voorzover dit door het Hof is bekrachtigd;

wijst de vorderingen van [eiser] c.s. af;

veroordeelt NVV c.s. in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot:

- in eerste aanleg op € 884,87;

- in hoger beroep op € 3.103,20;

- in cassatie op € 68,07 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 14 juni 2002.