Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0575

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2002
Datum publicatie
08-04-2002
Zaaknummer
02101/00 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 457
Wetboek van Strafvordering 457
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2002/109
NbSr 2002/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 februari 2002

Strafkamer

nr. 02101/00 H

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht gewijsde gegaan vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van

14 juli 1997, nummer 02/070295-97 en een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 maart 1999, nummer 20/000775-98, ingediend door mr. H.H. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, namens:

[aanvraagster], geboren te [geboorteplaats] (Frans Guyana) op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvraagster ter zake van "diefstal", gepleegd op 7 mei 1997 in de gemeente Tilburg, veroordeeld tot een week gevangenisstraf. Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het tegen genoemd vonnis ingestelde hoger beroep.

2. De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvraag

3.1.Het arrest van het Hof is niet een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. In zoverre kan de aanvraag niet worden ontvangen.

3.2. Wat betreft het vonnis van de Politierechter geldt dat als grondslag voor een herziening, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2┬░ van art. 457 Sv slechts kunnen dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.3. In de aanvraag wordt aangevoerd dat het onderzoek der zaak destijds tot vrijspraak zou hebben geleid indien de Politierechter bekend was geweest met de bij de aanvraag gevoegde fotokopie van een "attest van gevangenschap". Dit attest, dat op 15 maart 1999 is afgegeven door de directeur van de gevangenis te Antwerpen, houdt in dat de aanvraagster sedert 17 april 1997 van haar vrijheid beroofd is geweest en op 16 mei 1997 is ontslagen.

3.4.Uit de stukken van het geding blijkt, voorzover voor de beoordeling van de aanvraag van belang, het volgende.

(i) Blijkens het daarvan door de politie opgemaakte proces-verbaal is op 7 mei 1997 een verdachte aangehouden naar aanleiding van een kort voordien in Tilburg gepleegde winkeldiefstal. Deze verdachte heeft bij haar verhoor door J.H. van Kemenade, brigadier van politie, de persoonsgegevens van de aanvraagster opgegeven. Na de voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie is door Van Kemenade aan de verdachte een dagvaarding ter zake van genoemd feit uitgereikt voor de terechtzitting van de Politierechter van 14 juli 1997.

(ii) De aanvraagster heeft op 2 april 1998 hoger beroep doen instellen tegen het vonnis van de Politierechter van 14 juli 1997. (iii) Het hoger beroep is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch behandeld op 5 augustus 1998 en 5 maart 1999. Bij die behandeling is de handtekening van de verdachte op de akte van uitreiking betreffende de inleidende dagvaarding vergeleken met de handtekening van de aanvraagster in haar paspoort. Voorts heeft het Hof de bij de aanhouding betrokken verbalisanten, onder wie Van Kemenade, als getuigen gehoord. Deze heeft onder meer verklaard dat het de ter terechtzitting van het Hof aanwezige aanvraagster was die is aangehouden ter zake van genoemde winkeldiefstal en aan wie hij de inleidende dagvaarding heeft uitgereikt.

(iv) Het Hof heeft de aanvraagster in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet was ingesteld binnen 14 dagen na het vonnis van de Politierechter. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 1999 heeft het Hof geoordeeld dat "in het bijzonder gelet op de ter terechtzitting door de getuige van Kemenade afgelegde verklaring, het ervoor moet worden gehouden dat het deze verdachte is geweest die op 7 mei 1997 door de

verbalisanten Van Kemenade en Van Gorp is aangehouden ter zake van winkeldiefstal en dat aan haar op dezelfde dag in persoon een dagvaarding ter zake van dit feit is uitgereikt."

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat de mogelijkheid dat het ten laste van de aanvraagster bewezenverklaarde feit is gepleegd door een ander dan de aanvraagster door het Hof uitvoerig is onderzocht doch verworpen. Gelet hierop en in aanmerking genomen voorts dat in de aanvraag geen verklaring wordt gegeven voor de omstandigheid dat - hoewel dit voor de hand had gelegen - bij de behandeling van het hoger beroep door of namens de aanvraagster niet is aangevoerd dat zij ten tijde van

het plegen van het bewezenverklaarde feit in Antwerpen gedetineerd was, kan het enkele in fotokopie overgelegde "attest van gevangenschap", dat kort na 's Hofs arrest is afgegeven, niet het ernstig vermoeden wekken dat, ware de Politierechter daarmee bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvraagster.

3.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het in de aanvraag gestelde niets bevat dat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.2 vermeld. Dat brengt mee dat de aanvraag wat betreft het vonnis van de Politierechter kennelijk ongegrond is.

3.7. Het vorenoverwogene brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk voorzover deze betrekking heeft op het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 maart 1999;

Wijst de aanvraag tot herziening af voorzover deze betrekking heeft op het vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Breda van 14 juli 1997.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 12 februari 2002.