Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0475

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
36910
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE0475
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/331 met annotatie van J.W. Zwemmer
FED 2002/489
FED 2002/621
WFR 2002/1165, 1
V-N 2002/41.17 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.910

9 augustus 2002

JV

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 januari 2001, nr. P99/03083, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 833.291, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 7 februari 2002 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan en de oordelen van het Hof die in cassatie worden bestreden, wordt verwezen naar de punten 1.1 tot en met 1.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.2. Het eerste middel komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende en A N.V. zich ervan bewust moeten zijn geweest dat werd verkocht tegen een te lage prijs en dat belanghebbende zich een voordeel tot het door de Inspecteur gestelde bedrag liet ontgaan ten gunste van A N.V. Het Hof had, aldus het middel, het een en ander niet voetstoots mogen afleiden uit het verschil tussen de werkelijke waarde van de onroerende zaken en de boekwaarde daarvan, maar had aandacht moeten schenken aan de omstandigheid dat niet alleen de economische eigendom van de onroerende zaken werd verkocht maar dat belanghebbende ook werd ontslagen van aansprakelijkheid voor de in de akte van 1 november 1994, weergegeven in onderdeel 2.5 van 's Hofs uitspraak, vermelde schuld aan de gemeente en diverse claims en aanspraken die derden in verband met die onroerende zaken pretendeerden jegens de juridische eigenaar. Het middel is gegrond. De waarde van de schuld en de claims ter zake waarvan de koper de aansprakelijkheid jegens de juridische eigenaar van de onroerende zaken heeft overgenomen, bepaalt mede de omvang van diens tegenprestatie. Indien die waarde zodanig zou zijn dat de wederzijdse prestaties van koper en verkoper in evenwicht waren, kan reeds om die reden geen onttrekking worden aangenomen. Ingeval wel sprake is van een onttrekking moet bij de berekening van de omvang van die onttrekking rekening worden gehouden met de waarde van de overgenomen schuld en claims. Hierbij zij opgemerkt dat dit alleen tot een verlaging van de correctie op de aangegeven winst leidt indien en voor zover deze schuld en claims niet reeds afzonderlijk zijn gepassiveerd in de fiscale vermogensopstelling van belanghebbende. In die situatie zou belanghebbende in zoverre geen belang hebben bij haar bestrijding van het als onttrekking in aanmerking genomen bedrag. Nu belanghebbende voor het Hof uitdrukkelijk de schulden, claims en aanspraken als waardedrukkende factoren had vermeld, had het Hof een onderzoek naar de werkelijke waarde daarvan en de verwerking ervan in de boekhouding van belanghebbende, niet achterwege mogen laten bij de beoordeling of, en zo ja, in hoeverre er een onttrekking heeft plaatsgevonden.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de onttrekking terecht heeft belast in 1995. Het tweede middel bestrijdt dit oordeel met het betoog dat reeds met de totstandkoming van de akte van 1 november 1994 de uitdeling definitief vaststond. Het middel faalt. Voormelde akte bevatte immers mede de bepalingen dat de onroerende zaken pas met ingang van 2 januari 1995 voor rekening en risico van A N.V. zouden zijn en dat zij met de in de akte genoemde claims en aanspraken zouden overgaan in de staat waarin zij zich op die dag zouden bevinden. Gelet hierop mocht belanghebbende de verantwoording van het resultaat ter zake van de verkoop van de economische eigendom van de onroerende zaken uitstellen tot 1995. Het bestreden oordeel is derhalve juist.

3.4. In verband met het in 3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 630 (€ 285,88), en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2002.