Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0455

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
22-03-2002
Zaaknummer
36679
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/169
FED 2002/183
WFR 2002/502, 2
V-N 2002/17.14 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0643
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.679

22 maart 2002

FA

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 oktober 2000, nr. P99/2939, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 87.773. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft bij haar aangifte voor het jaar 1997 een bedrag van ƒ 7200 in aftrek gebracht als buitengewone lasten. Volgens belanghebbende betrof dit bedrag uitgaven voor het levensonderhoud van haar grootmoeder. Deze grootmoeder, wonende te R (Suriname), werd vanwege haar slechte gezondheid in 1997 thuis verzorgd door medewerkers van een stichting voor thuiszorg. Teneinde de buitengewone lasten aan te tonen heeft belanghebbende aan het Hof kwitanties van zowel wisselkantoren in Nederland als van de stichting overgelegd.

3.2. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat uitgaven van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 4400 hebben gestrekt tot voorziening in het levensonderhoud van de grootmoeder, en heeft dat bedrag, verminderd met een drempel van ƒ 800, aanvaard als buitengewone lasten van belanghebbende.

3.3. Voorzover het eerste middel berust op de opvatting dat slechts betalingen die rechtstreeks zijn gedaan aan de ondersteunde verwant, in aanmerking kunnen komen als uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud, bedoeld in artikel 46, lid 1, letter a, onder 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, faalt het, aangezien die opvatting geen steun vindt in de voormelde bepaling.

3.4. Het middel betoogt voorts dat het door belanghebbende geleverde bewijs niet voldoet aan de in voormelde wetsbepaling gestelde eis dat de uitgaven met schriftelijke bescheiden moeten worden aangetoond, zodat het Hof dat bewijs ten onrechte geleverd heeft geoordeeld. Dienaangaande geldt het volgende.

3.5. De wetgever heeft met de eis dat de uitgaven met schriftelijke bescheiden worden aangetoond blijkens de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 13 december 1996, Stb. 655, beoogd dat betalingen die belastingplichtigen doen ter ondersteuning van hun verwanten, slechts dan in aanmerking worden genomen wanneer deze zijn gedaan op voor de belastingdienst redelijkerwijs te controleren wijze. Als voorbeelden zijn daar genoemd bankoverschrijvingen ten name van de persoon die wordt ondersteund, of overmakingen per internationale postwissel (Kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 3, blz. 32/33). Met de aldus geformuleerde bedoeling van de wetgever is het niet in strijd om in voorkomende gevallen onder schriftelijke bescheiden ook andere stukken te begrijpen dan de als voorbeelden genoemde bankafschriften of postwissels (vgl. HR 21 maart 2001, nr. 36024, BNB 2001/236).

3.6. Wel moet sprake zijn van zodanige schriftelijke bescheiden dat aan de hand daarvan de juistheid van de in aftrek gebrachte uitgave redelijkerwijs door de belastingdienst kan worden gecontroleerd. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat de door belanghebbende overgelegde kwitanties zodanig gespecificeerd zijn, dat zij redelijkerwijs controle door de belastingdienst van de in aftrek gebrachte uitgaven mogelijk maken. Voorzover het middel dit oordeel bestrijdt, slaagt het. Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien op welke wijze redelijkerwijs controle van in aftrek gebrachte uitgaven mogelijk is aan de hand van kwitanties waarop geen adres, geen telefoonnummer, en in sommige gevallen zelfs geen naam van de persoon of instelling die deze kwitanties heeft afgegeven, vermeld staat, terwijl de kwitanties ook geen gegevens dragen omtrent de aard en de bestemming van de betaling.

3.7. Het Hof heeft voorts aannemelijk geacht dat een kwitantie (kennelijk van een wisselkantoor) volgens welke belanghebbende op 4 september 1997 ƒ 1100 zou hebben gestort, twee betalingen zou betreffen, van ƒ 650 en ƒ 450, welke op 26 juni 1997 en 28 augustus 1997 door de stichting in Suriname zouden zijn ontvangen. Dit oordeel is, gelet op de verschillen in bedragen en data, zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Ook in zoverre slaagt het middel.

3.8. Uit het onder 3.6 en 3.7 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2002.