Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE0452

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
22-03-2002
Zaaknummer
36619
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2002, 21457
BNB 2002/157 met annotatie van J.W. Zwemmer
FED 2002/181
WFR 2002/502
V-N 2002/19.27 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0640
NTFR 2003/273 met annotatie van mr. M. de L. Monteiro
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.619

22 maart 2002

NA

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 september 2000, nr. BK-99/01130, betreffende na te melden aanslag in het recht van successie.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van A (hierna: erflaatster), overleden op 12 oktober 1996, een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van ƒ 6.100.313, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is de zoon van erflaatster en is haar enige erfgenaam. Volgens een akte, gedagtekend 19 september 1992, heeft erflaatster 6500 aandelen C N.V. aan belanghebbende verkocht voor een koopsom van ƒ 825.500. Deze akte bevat, voorzover hier van belang, de navolgende bepalingen:

"1. De levering van de verkochte aandelen geschiedt door overboeking uit het effectendepot van verkoopster bij de ABN-AMRO Bank N.V., kantoor a-straat 1 te Q, naar het effectendepot van koper, eveneens bij ABN-AMRO Bank N.V. De opdracht hiertoe is op 16 dezer verstrekt.

2. Alle baten en lasten betreffende de verkochte aandelen komen vanaf 15 september 1992 voor rekening van de koper.

4. Koper zal over het verschuldigd gebleven bedrag vanaf 15 september 1992 tot de dag der algehele voldoening een gestaffelde rente betalen van zes procent (6%) per jaar. Deze rente zal dienen te worden voldaan voor de eerste maal op 1 juli 1993 over het alsdan verstreken tijdvak vanaf 15 september 1992, en vervolgens op 1 juli van elk volgend jaar."

Overboeking van de verkochte aandelen uit het effectendepot van erflaatster naar het effectendepot van belanghebbende heeft niet plaatsgevonden. Het dividend op de verkochte aandelen is steeds aan erflaatster uitbetaald. Belanghebbende heeft geen rente betaald over de verschuldigde koopsom, anders dan door de door hem gestelde en door de Inspecteur betwiste verrekening van de verschuldigde rente met het aan erflaatster uitbetaalde dividend.

3.2. Voor het Hof heeft de Inspecteur onder meer betoogd dat erflaatster en belanghebbende nimmer de bedoeling hebben gehad om werkelijk een vermogensovergang te doen plaatsvinden. In dat verband heeft de Inspecteur aangevoerd dat bij de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting van erflaatster en belanghebbende op geen enkele wijze melding is gemaakt van de transactie, dat de aandelen na 15 september 1992 voor de vermogensbelasting door erflaatster zijn aangegeven en noch bij haar noch bij belanghebbende melding is gemaakt van het bestaan van de schuldig gebleven koopsom en de gekweekte rente over de koopsom en dat de dividenden door erflaatster steeds zijn aangegeven voor de inkomstenbelasting.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat bij de aanslagregeling terecht de verplichting tot levering van de aandelen niet in aanmerking is genomen en dat terecht het saldo van de nalatenschap is verminderd met de in de aangifte opgenomen vordering op belanghebbende. Het heeft daartoe redengevend geacht dat erflaatster en belanghebbende geen uitvoering hebben gegeven aan de hiervoor in 3.1 vermelde overeenkomst.

3.4. De omstandigheid dat partijen ten tijde van het overlijden van erflaatster nog geen uitvoering hadden gegeven aan die overeenkomst, brengt op zich niet mee dat de uit die overeenkomst voor erflaatster voortvloeiende rechten en verplichtingen geen deel uitmaken van de nalatenschap. Daarvoor is nodig dat de partijen bij die overeenkomst ofwel, zoals in de stellingen van de Inspecteur ligt besloten, in weerwil van hun verklaringen in de akte van 19 september 1992 niet de bedoeling hebben gehad een overeenkomst als hiervoor onder 3.1 vermeld te sluiten, ofwel deze overeenkomst na 19 september 1992 hebben ontbonden. Dit een of ander heeft het Hof evenwel niet vastgesteld, zodat 's Hofs oordeel hetzij berust op een onjuiste rechtsopvatting hetzij onvoldoende is gemotiveerd.

De tegen dit oordeel gerichte klachten treffen in zoverre doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De klachten behoeven verder geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160 (€ 72,60), en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2002.