Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD9709

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
36613
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2002/134
BNB 2002/142 met annotatie van J.W. Zwemmer
WFR 2002/382, 2
V-N 2002/12.21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.613

1 maart 2002

FA

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 september 2000, nr. BK-99/02299, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 168.500, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft vanaf zijn geboorte in 1957 tot 15 september 1982 in Nederland gewoond. Van 15 september 1982 tot 1 oktober 1984 heeft hij afwisselend in België en in Nederland gewerkt en gewoond. Van 1 oktober 1984 tot 1 april 1997 woonde belanghebbende in België. Van 1 oktober 1984 tot 1 mei 1987 werkte hij zowel in Nederland, voor een hier te lande gevestigde werkgever, als in België, voor een aldaar gevestigde werkgever. Van 1 mei 1987 tot 1 april 1997 was hij uitsluitend in België werkzaam voor aldaar gevestigde werkgevers. Per 1 april 1997 is belanghebbende in dienst getreden van een hier te lande gevestigde werkgever. In verband met de aanvaarding van die dienstbetrekking is hij weer in Nederland komen wonen.

3.2. Het eerste middel bestrijdt de uitleg die het Hof heeft gegeven aan de in onderdeel 1.3.4 van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 mei 1995, DB95/119M, BNB 1995/243 (hierna: de 35%-regeling) opgenomen regeling (hierna: de kortingsregeling), welke uitleg ertoe leidt dat belanghebbende door de toepassing van de kortingsregeling niet in aanmerking komt voor de 35%-regeling.

3.3. In het licht van hetgeen de Hoge Raad omtrent de 35%-regeling en de kortingsregeling heeft overwogen in zijn arrest van 30 mei 2001, nr. 35903, BNB 2001/302, heeft omtrent de inhoud van de kortingsregeling het volgende te gelden.

Ingevolge de eerste volzin van de kortingsregeling wordt de periode waarvoor de 35%-regeling geldt, verminderd met de duur van eerdere perioden van tewerkstelling door binnenlandse werkgevers, ongeacht of de buitenlandse werknemer toen hier te lande zijn arbeid verrichtte en/of verblijf hield, 'dan wel' met de duur van eerdere perioden waarin de buitenlandse werknemer hier te lande verblijf hield zonder te zijn tewerkgesteld door een binnenlandse werkgever. Bij de formulering van de eerste volzin is de Staatssecretaris blijkens het gebruik van de woorden 'dan wel' er kennelijk van uitgegaan dat zich voordoet hetzij een eerdere tewerkstelling door een binnenlandse werkgever, hetzij een eerder verblijf hier te lande zonder tewerkstelling door een binnenlandse werkgever. Kennelijk heeft hij niet gedacht aan een combinatie van beide situaties in die zin dat de betrokken werknemer gedurende een zekere periode in dienst van een binnenlandse werkgever werkzaam is geweest en gedurende een andere periode hier te lande heeft verbleven zonder in dienst van een binnenlandse werkgever te zijn. Gelet echter op de strekking van de kortingsregeling zoals uiteengezet in rechtsoverweging 3.5 van het voormelde arrest moet worden aangenomen dat de Staatssecretaris, als hij aan die combinatie wel had gedacht, voor dat geval zou hebben bepaald dat de periode waarvoor de 35%-regeling geldt, wordt verminderd met zowel de duur van eerdere perioden van tewerkstelling door binnenlandse werkgevers als met de duur van eerdere perioden waarin de buitenlandse werknemer hier te lande verblijf hield zonder te zijn tewerkgesteld door een binnenlandse werkgever. De eerste volzin van de kortingsregeling moet dan ook voor gevallen waarin zich een combinatie als hiervoor bedoeld voordoet, aldus worden verstaan.

Ingevolge de tweede volzin van de kortingsregeling worden, indien de werkelijke datum van vertrek van de buitenlandse werknemer uit Nederland, dan wel de datum van beëindiging van de tewerkstelling door een binnenlandse werkgever tien jaar of meer is gelegen vóór de aanvang van de nieuwe tewerkstelling, bij de toepassing van de eerste volzin de eerdere perioden van tewerkstelling en de eerdere perioden van verblijf buiten beschouwing gelaten. Ook bij de formulering van deze volzin heeft de Staatssecretaris kennelijk niet gedacht aan een combinatie van een eerdere tewerkstelling door een binnenlandse werkgever en van een eerder verblijf hier te lande zonder tewerkstelling door een binnenlandse werkgever. Gelet op de strekking van de kortingsregeling moet worden aangenomen dat de Staatssecretaris voor gevallen waarin zich die combinatie voordoet, zou hebben bepaald dat de eerdere perioden van tewerkstelling en de eerdere perioden van verblijf slechts buiten beschouwing worden gelaten indien beide vorenbedoelde data tien jaar of meer zijn gelegen vóór de aanvang van de nieuwe tewerkstelling. Voor die gevallen moet de tweede volzin dan ook aldus worden verstaan.

3.4. In het onderhavige geval doet zich een combinatie als hiervoor bedoeld voor. De datum van beëindiging van de tewerkstelling van belanghebbende door een binnenlandse werkgever (1 mei 1987) is niet tien jaar of meer gelegen vóór de aanvang van de nieuwe tewerkstelling (1 april 1997). Dit een en ander brengt mee dat de periode waarvoor de 35%-regeling geldt, wordt verminderd met zowel de duur van eerdere perioden van tewerkstelling van belanghebbende door binnenlandse werkgevers als met de duur van eerdere perioden waarin belanghebbende hier te lande verblijf hield zonder te zijn tewerkgesteld door een binnenlandse werkgever. In dit geval leidt die vermindering ertoe dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor de 35%-regeling. Het middel wordt derhalve vergeefs voorgesteld.

3.5. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende een zodanige band met Nederland heeft behouden dat hij nimmer ontworteld is, zodat zijn geval niet vergelijkbaar is met dat van buitenlandse werknemers die in de tien jaar voor hun tewerkstelling geen enkele binding in vorenbedoelde zin met Nederland hebben gehad, aan welk oordeel het Hof de gevolgtrekking heeft verbonden dat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. De juistheid van dit oordeel kan in het midden blijven. Dit oordeel en het daartegen gerichte middel gaan immers ten onrechte ervan uit dat de 35%-regeling uitsluitend een tegemoetkoming beoogt te bieden voor extra uitgaven waarvoor buitenlandse werknemers in verband met hun tewerkstelling door een binnenlandse werkgever komen te staan. Gelijk de Hoge Raad heeft overwogen in het hiervoor in 3.3 vermelde arrest, ontleent de 35%-regeling niet uitsluitend haar bestaansrecht aan de omstandigheid dat uit het buitenland afkomstige werknemers bij hun tijdelijke verblijf hier te lande doorgaans hogere kosten van levensonderhoud hebben dan werknemers die hier vast geworteld zijn, maar heeft zij mede het karakter van een loonkostensubsidie voor binnenlandse werkgevers die vanwege schaarste op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn genoodzaakt werknemers met specifieke deskundigheid uit het buitenland aan te trekken. Gelijk de Hoge Raad voorts in voormeld arrest heeft overwogen, is er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het door middel van een kortingsregeling maken van onderscheid binnen de groep uit het buitenland aangetrokken werknemers, en stond het daarbij de Staatssecretaris vrij te bepalen dat de kortingsregeling niet van toepassing is indien ten tijde van de indiensttreding ten minste tien jaar zijn verstreken sinds het vertrek van de werknemer uit Nederland dan wel de beëindiging van het dienstverband met een Nederlandse inhoudingsplichtige. Derhalve levert het niet van toepassing zijn van de kortingsregeling in belanghebbendes geval vanwege de enkele omstandigheid dat de datum van beëindiging van de tewerkstelling van belanghebbende door een binnenlandse werkgever niet tien jaar of meer is gelegen vóór de aanvang van de nieuwe tewerkstelling, geen schending van het gelijkheidsbeginsel op. Het middel kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2002.