Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD9707

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
36867
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2002, 21477
BNB 2002/143 met annotatie van P. KAVELAARS
FED 2002/135
FED 2002/250
WFR 2002/383
V-N 2002/16.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.867

1 maart 2002

FA

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 21 december 2000, nr. BK 30066/99, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd naar een premie-inkomen van f 29.737, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een premie-inkomen van f 23.512. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft het geschil omschreven als de vraag of het bedrag gemoeid met de forfaitaire autokostencorrectie als bedoeld in artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) behoort tot de heffingsgrondslag van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: de Waz). Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Onderdeel II van het middel keert zich tegen het desbetreffende oordeel.

3.2. Uit artikel 72, lid 1, van de Waz volgt dat van het daar bedoelde premie-inkomen onder meer deel uitmaakt de in het kalenderjaar genoten winst uit onderneming, welk begrip in artikel 1, lid 1, letter i, van de Waz wordt omschreven als winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet IB.

3.3. In de Nota naar aanleiding van het nader verslag inzake het wetsvoorstel dat tot de Waz heeft geleid, is met betrekking tot de onderhavige bepaling - voorzover in cassatie van belang - opgemerkt:

'De winst uit onderneming is een bestaand fiscaal begrip, dat als uitgangspunt dient voor de berekening van het belastbare inkomen van een zelfstandige. Voor de premieheffing van de WAZ wordt derhalve aangesloten bij een fiscale grondslag die thans al jaarlijks moet worden vastgesteld. Juist door aan te sluiten bij dit bestaande inkomensbegrip vormt de WAZ-heffing in de praktijk geen probleem.' (Kamerstukken II 1996/97, 24 758, nr. 9, blz. 13).

en in de Memorie van antwoord voor de Eerste Kamer:

'Voor de ondernemer wordt dit inkomen gevormd door de winst die wordt berekend voor de inkomstenbelasting. Bij het bepalen van deze winst wordt rekening gehouden met de kosten van de onderneming (…). Aanhaken bij het fiscale winstbegrip heeft verder als voordeel dat de winstbepaling is gebonden aan bepaalde voorschriften zoals het goedkoopmansgebruik. (…). Naar mijn oordeel vormt het fiscale winstbegrip dan ook een reële grondslag voor de premieheffing WAZ bij ondernemers' (Kamerstukken I 1996/97, 24 758 en 24 760, nr. 95b, blz. 14).

3.4. Op grond van artikel 7 van de Wet IB, deel uitmakend van hoofdstuk II, afdeling 2, van die wet, kan bij gebruik van een tot het ondernemingsvermogen behorende auto voor zowel zakelijke als privé doeleinden, een gedeelte van de aan het houden van die auto verbonden kosten niet worden aangemerkt als gemaakt ten behoeve van de onderneming. De strekking van artikel 42, lid 2, van de Wet IB is om de hoogte van dit deel van de autokosten op eenvoudige wijze vast te stellen (HR 14 september 1988, nr. 24952, BNB 1988/307). De correctie van de aan het houden van de auto verbonden kosten op de voet van artikel 42, lid 2, heeft derhalve betrekking op winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet IB, op gelijke wijze als een correctie van de autokosten die niet berust op het autokostenforfait maar - omdat het tegenbewijs van artikel 42, lid 5, van de Wet IB is geleverd of omdat het niet om een personenauto gaat - is gebaseerd op de werkelijke kosten van het privé-gebruik. Het op grond van het autokostenforfait niet als kosten van de onderneming aan te merken bedrag kan mitsdien ook bij de berekening van het premie-inkomen in de zin van artikel 72, lid 1, van de Waz niet als ondernemingskosten in aanmerking worden genomen. Dit is ook in overeenstemming met de onder 3.3. vermelde wetsgeschiedenis. 's Hofs andersluidende oordeel kan niet als juist worden aanvaard.

3.5. Onderdeel II van het middel is derhalve gegrond. Voor het overige behoeft het middel geen behandeling. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2002.