Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD9609

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2002
Datum publicatie
31-05-2002
Zaaknummer
C00/247HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD9609
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 316
NJ 2003, 589 met annotatie van J.B.M. Vranken
RvdW 2002, 93
JWB 2002/203
JBPR 2002/2 met annotatie van Mw. mr. W.C.G.M. van Hoof en JGAL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 mei 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/247HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 27 september 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: Aegon - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd - kort gezegd - (i) dat het Aegon verboden wordt om verder onderzoek naar [eiser] door middel van het vragen van informatie aan derden en het observeren van [eiser] zelf te (doen) verrichten, en voorts (ii) om Aegon te veroordelen aan [eiser] de originelen of kopieën van het door Aegon verzamelde materiaal af te geven, en (iii) om de overige kopieën van dat materiaal en het overige materiaal te vernietigen. Dit alles onder verbeurte van aan [eiser] te betalen dwangsommen. Tenslotte heeft [eiser] gevorderd (iv) Aegon te veroordelen om een in goede justitie te bepalen bedrag, althans ƒ 14.000,-- als voorschot op de door [eiser] geleden schade te betalen.

Aegon heeft de vorderingen bestreden.

De President heeft bij vonnis van 4 november 1999 de gevraagde voorzieningen geweigerd.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. In hoger beroep heeft [eiser] zijn hiervoor onder (i) tot en met (iii) genoemde vorderingen gehandhaafd, doch uitgebreid met telkens een subsidiaire vordering tot het treffen van een zodanige voorzieningen dat [eiser] geen nieuwe schendingen van zijn privé-leven door Aegon heeft te duchten, dat [eiser] kennis kan nemen van al het materiaal waarover Aegon beschikt met betrekking tot [eiser], resp. dat Aegon niet meer de vrije beschikking heeft over dat materiaal.

Bij arrest van 18 mei 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Aegon heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief, ter griffie ingekomen op 8 maart 2002, op die conclusie gereageerd. Hij heeft daarbij meegedeeld onderdeel 5 van het cassatiemiddel niet langer te handhaven.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In Cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 17 januari 1996 is [eiser] aangereden door een auto waarvoor bij Aegon een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid was gesloten. Aegon heeft de aansprakelijkheid erkend en heeft tot begin 1997 voorschotten op de schade uitgekeerd aan [eiser] tot een bedrag van ƒ 127.328,20. [Eiser] heeft gesteld dat hij in zijn bewegingen is beperkt ten gevolge van een door het ongeval ontstane whiplash.

(ii) Aegon heeft in november 1996 een nader onderzoek ingesteld naar de door [eiser] geleden schade. Het onderzoek heeft zich onder meer gericht op de vraag of [eiser] in zijn bewegingen werd beperkt door de whiplash. Daarbij zijn buiten medeweten van [eiser] foto's en video-opnamen van hem gemaakt. Ook heeft Aegon vragen gesteld aan twee bedrijven waar [eiser] vóór het ongeval schoonmaakwerkzaamheden verrichtte. Sinds januari 1997 is [eiser] ervan op de hoogte dat Aegon genoemd onderzoek heeft ingesteld.

(iii) Tussen partijen is sinds juli 1997 een bodemprocedure aanhangig, waarin [eiser] in conventie vergoeding heeft gevorderd van de door hem als gevolg van het onder (i) bedoelde ongeval geleden schade. Een van de schadeposten is de door [eiser] gestelde immateriële schade wegens inbreuk op zijn privé-leven door de onder (ii) genoemde onderzoeken. Aegon heeft in reconventie terugbetaling van de reeds betaalde voorschotten gevorderd. Genoemde procedure stond ten tijde van het thans bestreden arrest van het Hof voor dupliek in reconventie. Een voorlopig deskundigenbericht (een tussenrapport) gaat uit van schade wegens whiplash.

(iv) Ook in 1999 heeft Aegon nog nader onderzoek naar [eiser] doen verrichten, waarbij eveneens video-opnamen zijn gemaakt.

(v) Aegon heeft herhaaldelijk aan (de raadsman van) [eiser] aangeboden het door Aegon bij haar onderzoeken verzamelde materiaal ten kantore van Aegon te komen bekijken. Dat aanbod is door [eiser] afgewezen.

3.2 [Eiser] heeft in de onderhavige kortgedingprocedure gevorderd - samengevat weergegeven - (i) dat het Aegon verboden wordt verder onderzoek naar [eiser] te doen door het vragen van informatie aan derden en het observeren van [eiser] zelf, (ii) dat Aegon wordt veroordeeld om aan [eiser] de originelen of kopieën van het door haar verzamelde materiaal af te geven, (iii) en om de overige kopieën van dat materiaal en het overige materiaal te vernietigen, en (iv) dat aan [eiser] een voorschot op de schadevergoeding wordt betaald. Aan zijn vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de onderzoeken en met name de stelselmatige observaties inbreuk maken op zijn privé-leven en derhalve jegens hem onrechtmatig zijn. Hij heeft zich daarbij beroepen op art. 8 EVRM en art. 10 van de Wet persoonsregistraties. Hij stelt recht en belang te hebben bij kennisneming van het materiaal en vernietiging van het bij Aegon aanwezige materiaal en bij een verbod van nieuwe schendingen van zijn privacy. [Eiser] stelt dat Aegon het verzamelde materiaal onrechtmatig heeft verkregen en het daarom dient af te geven en/of te vernietigen. Aegon heeft aangevoerd dat van onrechtmatig handelen geen sprake is geweest nu [eiser] niet langdurig en stelselmatig is geobserveerd en de op foto en video vastgelegde observaties van [eiser] uitsluitend voor een ieder waarneembare, in het openbaar verrichte, gedragingen betroffen, die strikt waren beperkt tot het door [eiser] gepretendeerde klachtenbeeld.

De President heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd.

3.3 In hoger beroep heeft [eiser] aan zijn vorderingen de volgende subsidiaire vorderingen toegevoegd: (i) zodanige voorzieningen te treffen dat [eiser] geen nieuwe schendingen van zijn privé-leven van Aegon heeft te duchten; (ii) een passende voorziening te treffen dat [eiser] kennis kan nemen van al het materiaal en dit met zijn advocaat kan bespreken en desgewenst zelf in de procedure brengen; (iii) een zodanige voorziening te treffen dat Aegon niet meer de vrije beschikking heeft over het materiaal.

Het Hof heeft het vonnis van de President bekrachtigd. Het heeft daartoe - samengevat weergegeven - als volgt overwogen.

De kernvraag die moet worden beantwoord is of Aegon door haar handelwijze een ongerechtvaardigde inbreuk heeft gemaakt op het privé-leven van [eiser], met als gevolg dat het materiaal, als onrechtmatig verkregen, niet voor bewijs in de bodemprocedure mag worden gebruikt. (rov. 4.7)

Of van een dergelijke onrechtmatige handelwijze sprake is, is voorwerp van geschil in de in een zeer vergevorderd stadium verkerende bodemprocedure. (rov. 4.8)

Het enkele feit dat Aegon informatie over [eiser] heeft ingewonnen bij derden en video-opnamen van hem heeft gemaakt, brengt nog niet mee dat Aegon dusdoende onrechtmatig heeft gehandeld. Of Aegon onrechtmatig heeft gehandeld, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de wijze waarop inbreuk is gemaakt op het privé-leven, de duur en intensiteit daarvan, en het doel waarmee het is geschied. De Wet persoonsregistraties houdt niet een verbod in voor Aegon over het door haar verzamelde materiaal te beschikken. (rov. 4.9)

Aegon heeft ontkend dat zij - zoals [eiser] heeft gesteld - bij haar onderzoek bij derden [eiser] in een kwaad daglicht heeft gesteld en dat zij [eiser] langdurig en stelselmatig heeft geobserveerd. De video-opnamen zouden volgens Aegon alleen in het openbaar verrichte gedragingen betreffen en waren strikt beperkt tot het door [eiser] gepretendeerde klachtenpatroon. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden zijn vooralsnog onvoldoende aannemelijk. In dit kort geding is voor nader feitelijk onderzoek geen plaats. (rov. 4.10)

De vorderingen van [eiser] strekken er onmiskenbaar toe het door Aegon verzamelde materiaal aan Aegon te ontnemen en uitsluitend in handen van [eiser] te doen geraken, zodat het voor Aegon onmogelijk is het als bewijs in de bodemprocedure te gebruiken. Nu op voorhand niet kan worden aangenomen dat Aegon het materiaal niet als bewijs mag gebruiken, is het bij uitstek aan de bodemrechter over de toelaatbaarheid ervan te oordelen. Beoogt [eiser] met zijn vorderingen inzage te krijgen in het materiaal, dan is er geen reden voor een voorlopige maatregel. [Eiser] heeft immers alle gelegenheid zich daarover uit te laten als Aegon het in de bodemprocedure heeft ingebracht. (rov. 4.11)

Nu vooralsnog niet kan worden aangenomen dat Aegon onrechtmatig heeft gehandeld, is de vrees voor voortgezette onrechtmatige inbreuk op de privacy van [eiser] niet voldoende aannemelijk. (rov. 4.12)

Uit het voorgaande volgt dat alle vorderingen van [eiser], ook de subsidiaire varianten, moeten worden afgewezen. Zijn stelling dat hij door de observaties ernstige psychische schade heeft geleden, doet daar niet aan af. (rov. 4.13)

3.4.1 De onderdelen 2.1 en 2.2, die de Hoge Raad het eerst zal behandelen, zijn gericht tegen rov. 4.7.

Onderdeel 2.1 betoogt dat het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te overwegen dat de te beantwoorden kernvraag is of het vergaren van het foto- en videomateriaal een ongerechtvaardigde inbreuk heeft gevormd op het privé-leven van [eiser], met als gevolg dat dit materiaal, als onrechtmatig verkregen, in de bodemprocedure niet als bewijs mag worden gebruikt. Onderdeel 2.2 voegt daaraan toe dat de vraag of het materiaal in de bodemprocedure als bewijs mag worden gebruikt geen strijdpunt is in dit kort geding, waarin het met name gaat over de vraag of Aegon het materiaal, als onrechtmatig vergaard, moet afgeven of onder een notaris deponeren.

3.4.2 De onderdelen kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft niet de vraag of Aegon het verzamelde materiaal als bewijs mag gebruiken in de bodemprocedure als de kern van het geschil beschouwd, maar heeft bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] de vraag of Aegon met haar handelwijze een ongerechtvaardigde inbreuk op het privé-leven van [eiser] heeft gemaakt, vooropgesteld (rov. 4.9 en 4.10). Hieraan doet niet af dat het Hof eveneens de vraag onder ogen heeft gezien of het door Aegon verzamelde materiaal in de bodemprocedure voor het bewijs kan worden gebezigd, nu het Hof zich van een beoordeling van die vraag heeft onthouden op grond van de overweging dat de beoordeling van die vraag aan de bodemrechter dient te worden overgelaten. (rov. 4.11)

3.4.3 Onderdeel 2.3 komt met een rechtsklacht op tegen het oordeel van het Hof in rov. 4.9 dat de Wet persoonsregistraties niet een verbod inhoudt voor Aegon om over het door haar verzamelde materiaal te beschikken.

De klacht faalt. De Wet persoonsregistraties (Wet van 28 december 1988, Stb. 665, houdende regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met persoonsregistraties) verbiedt persoonsgegevens die niet rechtmatig zijn verkregen in een persoonsregistratie op te nemen. De Wet ziet niet op het al dan niet mogen beschikken door degene die door zelfstandig onderzoek feitenmateriaal heeft verkregen, over dat materiaal.

3.5.1 Onderdeel 3.1 betoogt dat het Hof in rov. 4.9 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door niet ervan uit te gaan dat een inbreuk van Aegon op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] in beginsel onrechtmatig is, en dat Aegon daartegenover hooguit een beroep kan doen op een rechtvaardigingsgrond, doch te oordelen dat de rechtmatigheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] afhangt van de omstandigheden van het geval, zoals de wijze waarop inbreuk is gemaakt en de duur en intensiteit daarvan. Onderdeel 3.4 benadrukt nogmaals dat het aan Aegon was om een rechtvaardigingsgrond aan te voeren voor de inbreuk op de privacy van [eiser].

3.5.2 Vooropgesteld moet worden dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert (HR 9 januari 1987, nr. 12717, NJ 1987, 928). De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of zulk een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend.

Het Hof is in rov. 4.9 niet van een andere rechtsopvatting uitgegaan, nu zijn verwijzing in rov. 4.9 naar de omstandigheden van het geval kennelijk ziet op door Aegon aan te voeren feiten en omstandigheden die aan een (mogelijke) inbreuk het onrechtmatig karakter kunnen ontnemen. De onderdelen 3.1 en 3.4 falen derhalve.

3.5.3 Onderdeel 3.2 betoogt dat het Hof zich, anders dan het heeft gedaan in rov. 4.10, niet van toetsing had mogen onthouden, nu het opkomen tegen schending van de persoonlijke levenssfeer veelal in een kortgedingprocedure zal moeten geschieden. Onderdeel 3.3 voegt hieraan toe dat gezien hetgeen in de procedure wél vaststond, het Hof de onrechtmatigheid van de gepleegde inbreuk had moeten aannemen, althans had moeten motiveren waarom van een onrechtmatige inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen sprake was.

De onderdelen falen. In rov. 4.10 komt het Hof tot de conclusie dat de voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van belang zijnde gegevens niet vaststaan en dat niet kan worden aangenomen dat de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden vooralsnog voldoende aannemelijk zijn. Gezien het over en weer door partijen gestelde - zoals door het Hof in zijn rov. 4.10 aangegeven - zijn de oordelen niet onbegrijpelijk. De oordelen zijn evenmin onvoldoende gemotiveerd. Hierbij kan erop worden gewezen dat het Hof onder ogen heeft gezien of een nader feitelijk onderzoek op zijn plaats was, doch heeft geoordeeld dat zulks in het onderhavige kort geding niet het geval was. Het heeft immers overwogen dat de vraag of van een onrechtmatige handelwijze sprake is, eveneens voorwerp van geschil is in de reeds in een vergevorderd stadium verkerende bodemprocedure, en dat de weging of en in hoeverre het materiaal voor het bewijs kan worden gebezigd bij uitstek door de bodemrechter dient te worden verricht (rov. 4.8 en 4.11). Door aldus te overwegen heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.6 Onderdeel 4, dat is gericht tegen rov. 4.12 en rov. 4.13, faalt eveneens. Nu het Hof heeft geoordeeld dat de gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende tot klaarheid zijn gebracht (rov. 4.10) en derhalve heeft geoordeeld dat vooralsnog niet kan worden aangenomen dat de door Aegon verrichte onderzoekshandelingen onrechtmatig zijn, is zijn oordeel dat de vrees voor voortgezette onrechtmatige inbreuk op de privacy van [eiser] niet voldoende aannemelijk is, voldoende gemotiveerd. Het Hof hoefde dan ook niet in te gaan op de stelling van [eiser] dat de observaties ernstige psychische klachten veroorzaken.

3.7.1 De onderdelen 1.1 - 1.5 betogen dat onbegrijpelijk is waarom de vordering van [eiser] om de vrije beschikking te verkrijgen over kopieën van het door Aegon verzamelde materiaal is afgewezen. De vordering is om de volgende redenen toewijsbaar, aldus de onderdelen: a. Omdat [eiser] geen toestemming heeft gegeven tot het verzamelen van materiaal over hem en het materiaal [eiser] zelf betreft (schaatsend, op het dak klimmend, de hond uitlatend), heeft [eiser] in beginsel recht op afgifte. Zou dit anders zijn, dan had dat in ieder geval een motivering - die nu ontbreekt - gevergd. b. Zou sprake zijn van een registratie als bedoeld in de Wet persoonsregistratie, dan zou Aegon een volledig overzicht moeten verstrekken van wat in de persoonsregistratie is opgenomen. Hiermee correspondeert een recht op het verkrijgen van de kopieën uit die registratie. c. Het "equality of arms-beginsel" noopt ertoe dat [eiser] reeds nu vrijelijk de beschikking krijgt over het door Aegon verzamelde materiaal, zodat hij kan zien wat hij ermee gaat doen en niet hoeft af te wachten of en op welke wijze Aegon het materiaal in de bodemprocedure gaat gebruiken.

3.7.2 's Hofs oordeel dat in dit kort geding ook geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening strekkende tot inzage in, of het verschaffen van kopieën van het materiaal aan [eiser], opdat hij in de bodemprocedure het verweer van Aegon op adequate wijze kan beoordelen, berust op de overwegingen dat voorshands niet vaststaat dat dit materiaal door Aegon op onrechtmatige wijze is verzameld, en dat [eiser] zich over dat materiaal, indien het door Aegon in de bodemprocedure wordt ingebracht, zal kunnen uitlaten.

De onder a. vermelde klacht neemt tot uitgangspunt dat onrechtmatig handelen van Aegon wel vaststaat. Het Hof heeft zulks nu juist niet aangenomen, zodat deze klacht faalt.

De onder b. vermelde klacht gaat uit van de toepasselijkheid van de Wet persoonsregistratie, maar zoals hiervoor in 3.4.3 is overwogen, ziet deze wet niet op het al dan niet mogen beschikken over door zelfstandig onderzoek verkregen feitenmateriaal. Het door [eiser] gestelde rechtvaardigt ook niet de slotsom dat te dezen sprake is van een persoonsregistratie als bedoeld in die wet.

De onder c. vermelde klacht berust op de opvatting dat Aegon, ongeacht dienaangaande door de bodemrechter te geven beslissingen, verplicht is het door haar verzamelde feitenmateriaal aan [eiser] ter beschikking te stellen, opdat hij dat materiaal desgewenst zelf in het geding kan brengen en de volledigheid en de authenticiteit van het materiaal kan controleren. Die opvatting kan echter niet als juist worden aanvaard, omdat een zovergaande verplichting noch uit het bepaalde in art. 843a Rv., noch uit het beginsel van "equality of arms" voortvloeit. Daarbij is in aanmerking te nemen dat in de bodemprocedure niet slechts de eventuele toelaatbaarheid van het door Aegon verzamelde materiaal aan de orde is, waarover [eiser] zich - naar het Hof met juistheid heeft overwogen - in de bodemprocedure zal kunnen uitlaten, maar tevens de vordering van [eiser] tot vergoeding van immateriële schade wegens inbreuk op zijn privé-leven door de wijze waarop Aegon dat materiaal heeft verzameld. Ook deze klacht faalt derhalve.

3.7.3 Onderdeel 1.6 wijst erop dat [eiser] in de procedure heeft gesteld dat aan het sub (iii) gevorderde (zie hiervoor in 3.2 en 3.3) ook tegemoet kan worden gekomen door het depot van al het materiaal onder een notaris. Nu het onderdeel zelf reeds aangeeft dat deze vordering alleen toewijsbaar kan zijn indien het bijeenbrengen van het materiaal onrechtmatig is en daarvan in dit kort geding niet kan worden uitgegaan, kan het onderdeel niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 31 mei 2002.