Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD9600

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2002
Datum publicatie
24-05-2002
Zaaknummer
C00/238HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD9600
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 288
NJ 2003, 268 met annotatie van T. Koopmans
RvdW 2002, 84
O&A 2002, p. 95 (nr.1)
JWB 2002/188
NTM/NJCM-bull. 2003, p. 765 met annotatie van Nico Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 mei 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/238HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. B. Winters,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN,(Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij), gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G.J.H. Houtzagers.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 2 september 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd:

1. te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en uit dien hoofde jegens hem schadeplichtig is ter zake van de volgende gronden, afzonderlijk en/of in onderlinge samenhang beschouwd:

a. het inrichten, voorbereiden, vaststellen en handhaven van de met het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige rechtsgang naar het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) en het daaraan verwante relevante bestuursprocesrecht;

b. het voorbereiden, vaststellen en handhaven van het met artikel 2, lid 3, van de Beschikking aanvulling superheffing (BAS), juncto artikel 11 van de Beschikking superheffing 1984 (BSh) strijdige besluit van de minister d.d. 20 maart 1987;

c. het voorbereiden, vaststellen en handhaven van de afwijzende beslissing van het CBB d.d. 28 maart 1989;

d. het overschrijden door de Staat van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 EVRM;

e. het niet aanbieden van enigerlei vorm van schadevergoeding;

2. de Staat te veroordelen tot vergoeding van de schade, die [eiser] tengevolge van het onrechtmatig handelen door de Staat heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 1995, althans vanaf de dag van de dagvaarding.

De Staat heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 1 juli 1998 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Staat heeft incidenteel appel ingesteld.

Bij arrest van 18 mei 2000 heeft het Hof in het incidenteel hoger beroep de bestreden vonnis, behoudens wat betreft de daarin uitgesproken kostenveroordeling, vernietigd en opnieuw rechtdoende [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. S. Simonetti, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 1 maart 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser], die in 1981 een melkveehouderij van zijn vader had overgenomen, heeft op 12 juni 1986 op de voet van art. 2, derde lid, Beschikking aanvulling superheffing (verder: BAS) een verzoek ingediend om toekenning van een bijzondere hoeveelheid heffingvrije melk, op de grond dat hij in de periode van 1 september 1979 tot 1 september 1981 investeringsverplichtingen had aangegaan voor de vervanging en uitbreiding van het aantal standplaatsen voor melk- en kalfkoeien, en dat de melkafleveringen in 1983 nadelig zijn beïnvloed door een buitengewone omstandigheid als bedoeld in art. 12 BAS, te weten dat zich in die periode een epizoötie in zijn bedrijf had voorgedaan.

(ii) Nadat die aanvraag door de directeur landbouw en voedselvoorziening in de provincie Noord-Brabant was geweigerd en de minister van landbouw en visserij het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 20 maart 1987 ongegrond had verklaard , heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) bij uitspraak van 28 maart 1989 het tegen die beslissing ingestelde beroep van [eiser] verworpen, omdat, samengevat, naar zijn oordeel onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat zich kort voor of in de loop van 1983 een epizoötie had voorgedaan, nu [eiser] niet had aangetoond dat zich op zijn bedrijf een groter dan normaal te achten aantal verwerpingen had voorgedaan.

3.2 In de onderhavige procedure vordert [eiser] een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en uit dien hoofde schadeplichtig is jegens hem, een en ander zoals omschreven hiervoor onder 1, en vergoeding van de schade die [eiser] ten gevolge van het beweerdelijke onrechtmatig handelen heeft geleden.

De Rechtbank heeft de vordering van [eiser] afgewezen omdat, samengevat, niet voldoende aannemelijk is geworden dat de verwerpingen (abortussen), die zich in zijn bedrijf hebben voorgedaan, het gevolg waren van epizoötie in de betekenis van de BAS, welke betekenis de Rechtbank afleidde uit de "twintigste aanwijzing inzake de uitvoering van de BAS."

In hoger beroep heeft de Staat alsnog - in het incidenteel appel - aangevoerd dat de vordering van [eiser] was verjaard op grond van de Wet van 31 oktober 1924 (Stb. 482). Dit beroep op verjaring heeft het Hof gehonoreerd in zijn rov. 6.2. Het Hof heeft vervolgens in het incidenteel appel [eiser] alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Het middel keert zich in al zijn onderdelen tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust.

3.3 Naar blijkt uit zijn rov. 5 - 6.2 is het Hof klaarblijkelijk van oordeel dat op de vordering van [eiser] de Wet van 31 oktober 1924 van toepassing is. Naar onderdeel 1 terecht betoogt, is dit oordeel onjuist. Immers, uitgaande van zijn oordeel dat de verjaringstermijn is aangevangen per 1 januari 1990, te weten na het einde van het jaar waarin het CBB op het beroep van [eiser] heeft beslist, is ingevolge het bepaalde in art. 73 in verbinding met art. 68a OwNBW op deze vordering niet de Wet van 31 oktober 1924 van toepassing, maar geldt voor deze vordering art. 3:310 lid 1 BW (vgl. HR 17 november 2000, nr. C98/374, NJ 2001, 580). De gegrondbevinding van onderdeel 1 brengt mee dat onderdeel 2, dat tot uitgangspunt neemt dat de Wet van 31 oktober 1924 wel van toepassing is, geen behandeling behoeft.

3.4 De gegrondbevinding van onderdeel 1 behoeft voorts op de volgende gronden niet tot cassatie te leiden.

3.5 In ieder geval na de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde uitspraak van het CBB - dus vanaf 28 maart 1989 - was [eiser] bekend met de schade en de persoon die hij daarvoor aansprakelijk hield, te weten de Staat. De omstandigheid dat de Staat zich op het standpunt stelde dat het CBB wel was te beschouwen als "an independent tribunal" als bedoeld in art 6 EVRM en de omstandigheid dat het EHRM pas op 19 april 1994 heeft geoordeeld - kort gezegd - dat het CBB niet kon worden beschouwd als een zodanig gerecht (Serie A nr. 238 (Van de Hurk/Nederland), NJ 1995, 462), brengen, anders dan [eiser] aanvoert, niet mee dat geoordeeld moet worden dat [eiser] die de Staat onder meer verwijt dat hij een onrechtmatige rechtsgang bij het CBB heeft ingericht en dat het CBB een onjuiste beslissing heeft genomen, vóór de uitspraak van het EHRM door aan de Staat toe te rekenen omstandigheden zijn vordering tegen de Staat niet geldend kon maken. Zoals het Hof met juistheid heeft overwogen had [eiser] zich na de beslissing van het CBB tijdig tot de burgerlijke rechter kunnen wenden, of, in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het EHRM in de zaak Van de Hurk de verjaring kunnen stuiten. De verjaringstermijn is derhalve aangevangen op 29 maart 1989 en voltooid op 29 maart 1994.

3.6 Door bij zijn onderzoek van de stelling van de Staat dat de vordering van de Staat was verjaard, de mogelijkheid van stuiting van de verjaring te betrekken, is het Hof, anders dan onderdeel 3 betoogt, niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Anders dan onderdeel 3 voorts betoogt, ligt in de zinsnede "in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het EHRM" in rov. 6.2 van het Hof niet besloten dat [eiser] wist dat Van de Hurk een zaak aanhangig had gemaakt bij het EHRM. Het Hof heeft met die zinsnede slechts tot uitdrukking gebracht dat [eiser] in de periode vóór 19 april 1994 actie had kunnen ondernemen om zijn vordering tegen de Staat veilig te stellen.

3.7 Ook het betoog van [eiser] dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, faalt. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de Staat zich erop beroept dat de verjaring is voltooid voordat het EHRM in de zaak Van de Hurk uitspraak had gedaan, kan zulks [eiser] niet baten. Van [eiser] had immers in ieder geval gevergd kunnen worden dat hij binnen een redelijke termijn na het bekend worden van die uitspraak de Staat aansprakelijk had gesteld. Daarvan is evenwel geen sprake, nu voormelde uitspraak in Nederland is gepubliceerd in het NJCM Bulletin van juni 1994, p. 389 v., en [eiser] eerst op 6 juli 1995 de Staat aansprakelijk heeft gesteld. Ook de overige in onderdeel 4 vermelde omstandigheden kunnen niet tot het oordeel leiden dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Uit het vorenoverwogene volgt dat onderdeel 4 terecht klaagt dat het Hof niet ongemotiveerd voorbij had mogen gaan aan voormelde door [eiser] in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, maar dat het onderdeel desondanks niet tot cassatie kan leiden.

3.8 Onderdeel 5 klaagt dat het Hof geen aandacht heeft besteed aan de stelling van [eiser] dat zijn schade niet ineens is geleden, maar voortdurend van aard is, zodat de vordering van [eiser] niet is verjaard voor zover deze betrekking heeft op schade geleden binnen 5 jaar voor de aansprakelijkstelling. Het Hof heeft inderdaad aan deze stelling van [eiser] geen aandacht besteed. Niettemin kan ook dit onderdeel niet tot cassatie leiden. Het gaat hier om afzonderlijke elementen van de gehele door de onrechtmatige daad veroorzaakte - doorlopende - schade. In de feitelijke instanties is niet aangevoerd dat zich daarbij een of meer nieuwe - eerder niet voorziene - schadeposten voordoen. Ten aanzien van deze schade moet worden aangenomen dat [eiser] daarmee bekend was op 28 maart 1989, zodat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een aanvang nam op 29 maart 1989 en op 29 maart 1994 was voltooid (vgl. HR 19 oktober 2001, nr. C00/264, NJ 2001, 655).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 24 mei 2002.