Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD9588

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
03-05-2002
Zaaknummer
C00/036HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD9588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 269
JWB 2002/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 mei 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/036HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. ASTRORIA B.V., gevestigd te Ermelo,

2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: Astroria en [eiser 2] - hebben bij exploit van 6 februari 1997 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerster 1] en [verweerder 2] - gedagvaard voor de Rechtbank te Groningen en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [Verweerster 1] te veroordelen om aan Astroria binnen 48 uur na het te dezen te wijzen vonnis te betalen een bedrag van ƒ 37.500,--, vermeerderd met de wettelijke omzetbelasting, zijnde de vergoeding verschuldigd per 10 januari 1997, alsmede iedere tiende van de maand, te beginnen 10 januari 1997 enz. aan Astroria te voldoen een bedrag van ƒ 37.500,--, vermeerderd met de wettelijke omzetbelasting, dit tot 10 oktober 2015 althans totdat de overeenkomst d.d. 31 oktober 1995 tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, subsidiair [verweerster 1] te veroordelen om aan [eiser 2] te vergoeden de schade die ontstaan is ten gevolge van de praktijkbeëindiging van [eiser 2], welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;

II. [Verweerster 1] te veroordelen om uit hoofde van de ad I genoemde overeenkomst de autokosten aan Astroria te vergoeden tot een bedrag van totaal ƒ 100.000,--;

III. [Verweerder 2] te veroordelen om de ad I en II beschreven betalingen aan Astroria te verrichten indien en voor zover [verweerster 1] niet tijdig aan deze verplichtingen voldoet;

IV. [Verweerster 1] en [verweerder 2], des dat de een betalende de andere zal zijn gekweten, te veroordelen om vanwege de aantasting van eer en goede naam van [eiser 2] aan deze te vergoeden een bedrag van ƒ 10.000,--.

[Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben de vorderingen bestreden en hunnerzijds in reconventie gevorderd Astroria/[eiser 2] te veroordelen, ieder voor het geheel, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de schade te vergoeden die is ontstaan ten gevolge van de ernstige toerekenbare tekortkomingen van Astroria/[eiser 2], dan wel hun onrechtmatig handelen, tot een bedrag van ƒ 1.195.909,66, en voor het restant nader op te maken bij staat en vereffend volgens de wet. Voorts hebben zij gevorderd de ontbinding (voor zover vereist) van de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst van 31 oktober 1995 per 29 december 1996, dan wel per datum die de Rechtbank in goede justitie zal vaststellen.

Astroria en [eiser 2] hebben de vorderingen in reconventie bestreden.

Bij pleidooi hebben [verweerster 1] en [verweerder 2] hun reconventionele eis gewijzigd, het bedrag van de schade gesteld op ƒ 4.016.165,-- en voorts de vordering tot ontbinding aldus geherformuleerd dat gevraagd is voor recht te verklaren dat de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen gesloten op 31 oktober 1995, door een buitengerechtelijke verklaring op 29 december 1996, dan wel op 23 januari 1997 is ontbonden, dan wel de ontbinding uit te spreken op een door de Rechtbank te bepalen tijdstip.

Astroria en [eiser 2] hebben tegen de wijziging van eis wat betreft het schadebedrag bezwaar gemaakt.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 10 juli 1998 Astroria en [eiser 2] tot tegenbewijs van de voorshands door de Rechtbank bewezen geachte toerekenbare tekortkoming van Astroria en [eiser 2] toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis hebben Astroria en [eiser 2] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 13 oktober 1999 heeft het Hof het bestreden tussenvonnis vernietigd voor zover daarin Astroria en [eiser 2] worden toegelaten tot het tegenbewijs van de voorshands door de Rechtbank bewezen geachte toerekenbare tekortkoming van Astroria en [eiser 2] als vermeld in rechtsoverweging 7 van dat vonnis. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof bepaald dat [verweerder 2] zal worden belast met het bewijs van haar stelling dat Astroria is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst d.d. 31 oktober 1995. Voorts heeft het Hof verstaan dat als tijdstip van buitengerechtelijke ontbinding, voor zover de tekortkoming zou komen vast te staan, heeft te gelden de datum van 23 januari 1997, het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigd, en de zaak naar de Rechtbank te Groningen verwezen teneinde met inachtneming van het bepaalde in dit arrest te worden afgedaan.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben Astroria en [eiser 2] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerster 1] en [verweerder 2] is verstek verleend.

Astroria en [eiser 2] hebben de zaak doen toelichten door hun advocaat.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Astroria en [eiser 2] heeft bij brief van 27 februari 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Astroria en [eiser 2] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] en [verweerder 2] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door A. Hammerstein op 3 mei 2002.