Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD9474

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
01320/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD9474
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 287
Wetboek van Strafvordering 288
Wetboek van Strafvordering 315
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 218
NBSTRAF 2002/218
JOL 2002, 330
NJ 2002, 603

Uitspraak

4 juni 2002

Strafkamer

nr. 01320/01

AS/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 april 2001, nummer 23/03227-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in Penitentiaire Inrichting "Over-Amstel" te Amsterdam.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 oktober 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. subsidiair "doodslag", 2. "poging tot afpersing" en 3. "opzettelijk iemand (de Hoge Raad leest: wederrechtelijk) van de vrijheid beroven/beroofd houden" veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

1.2. Het bestreden arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat een aantal klachten die alle verband houden met de beslissing van het Hof om de weduwe van het slachtoffer van het onder 1 tenlastegelegde feit ter terechtzitting te horen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2001 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Het hof doet vervolgens voor zich verschijnen een persoon die in de zaal van de terechtzitting aanwezig is, zijnde [getuige 1], nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Zij doet op de vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboortedatum, beroep, woon- en verblijfplaats zoals hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachte te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, alles voor zover hieronder niet anders is vermeld.

De raadsvrouw van de verdachte verklaart:

Formeel heb ik bezwaar tegen het horen van de getuige [getuige 1], nu zij tijdens de gehele behandeling aanwezig is geweest in de zaal van de terechtzitting. Zij heeft gehoord wat de getuige-deskundigen hebben verklaard en weet daarom precies wat wel of niet gunstig is voor mijn cliënt.

Ik vraag akte van dit bezwaar.

De voorzitter merkt op dat het bezwaar is genoteerd, maar dat het hof toch zal overgaan tot het horen van de getuige [getuige 1], nu het hof het wenselijk acht dat deze getuige een verklaring aflegt, nu zij de weduwe van het slachtoffer is en het hof wenst te vernemen hoe het met haar gaat en haar ook overigens in de gelegenheid wil stellen opmerkingen te maken.

De getuige [getuige 1], geboren op [geboortedatum] 1947, zonder beroep, wonende te [woonplaats], verklaart:

U vraagt mij of ik uit eigen beweging iets wil zeggen.

Dat spoelbakverhaal, daar klopt helemaal niets van. De spoelbak was altijd schoon.

Ik werkte heel vaak in het café. De werktijden verschilden. Voorheen werkte ik daar bijna iedere dag, maar de laatste paar jaar ongeveer drie dagen per week.

De bierwacht kwam een keer per maand langs. Die moesten we inhuren. Zij controleerden de leidingen en maakten alles schoon.

De kraan van de spoelbak stond de hele dag aan. Soms was deze een uurtje dicht, maar bij de eerste klant ging deze weer open.

Op de bewuste avond was ik thuis, boven het café. Ik heb niets gemerkt. Het was een laffe daad. Toen ik mijn man zag, wist ik precies hoe de dader te werk is gegaan. Hij heeft mijn man naar het einde van de bar gelokt. De dader wilde waarschijnlijk geld wisselen voor de sigarettenautomaat of de gokautomaat. Mijn man moest bukken om de geldkist te pakken en toen is het gebeurd.

Over de DNA-sporen in de spoelbak wil ik nog verklaren dat de dader de geldkist leeggegooid had in de spoelbak. Mijn man, [betrokkene 1] en ik zaten daar de hele dag met onze handen in, zodat gemakkelijk sporen van ons op die manier in de spoelbak terecht kunnen zijn gekomen.

De hier aanwezige verdachte beweert dat hij ziek was en dat hij drie kwartier op het damestoilet heeft gezeten. Bij mijn man kwamen er geen heren op het damestoilet. Ten tweede zou mijn man hem al na tien minuten er vanaf hebben gehaald. Mijn man gaf geen bier aan iemand die ziek was.

Ik heb dat op de bewuste avond natuurlijk niet gezien, maar ik ken mijn man. Ik heb gezien dat hij eerder mensen van het toilet haalde. Wij wilden geen drugsgebruik op het toilet. Na tien minuten moest je eraf.

Mijn zoon wil niets met deze zaak te maken hebben. Zijn leven is vernield. Mijn zoon is slim, hij is vijf jaar geleden afgestudeerd in economie. Mijn man was erg trots op hem.

Het gaat sinds een paar maanden wat beter, je moet ermee leren leven. We zijn door een hel gegaan.

Het café is dicht gegaan en het is nooit meer open gegaan. Half januari 1999 is het verkocht.

Het verhaal van de hier aanwezige verdachte kan niet kloppen, omdat het ervan uitgaat dat mijn man heeft gehandeld in strijd met zijn karakter.

De verdachte verklaart:

Ik begrijp dat het voor mevrouw afschuwelijk is. U moet echter wel bedenken dat het ook voor mij afschuwelijk is, want ik word ten onrechte van dit ernstige misdrijf verdacht.

De voorzitter deelt mede dat het hof zich thans in beginsel voldoende geïnformeerd acht om het eind-arrest te wijzen.

De advocaat-generaal verklaart dat hij blijft bij zijn requisitoir en bij de op zitting van 13 november 2000 gedane vordering.

De raadsvrouw vraagt een korte schorsing van de behandeling zodat zij zich kan voorbereiden op haar slotpleidooi."

3.3. De eerste klacht, kennelijk daartoe strekkende dat het Hof [getuige 1] niet als getuige, in de betekenis die daaraan in het Wetboek van Strafvordering toekomt, heeft gehoord mist, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is weergegeven, feitelijke grondslag.

De beslissing om die persoon als getuige te horen stond ter beoordeling van het Hof en leent zich niet voor toetsing in cassatie. De omstandigheid dat die getuige reeds tijdens eerdere verhoren ter terechtzitting in hoger beroep van getuigen en deskundigen in de gehoorzaal aanwezig was, behoefde het Hof niet van die beslissing te weerhouden. Ook de dienaangaande opgeworpen klachten falen dus.

Voorzover het middel tenslotte berust op de opvatting dat de enkele omstandigheid dat niet blijkt dat - aansluitend aan de ondervraging van de getuige - aan de raadsvrouw de gelegenheid is gegeven om aan de getuige vragen te stellen, nietigheid van het onderzoek meebrengt, slaagt het evenmin, omdat die opvatting onjuist is.

3.4. Het middel faalt dus in al zijn onderdelen.

4. Beoordeling van het vierde middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof voor het bewijs van feit 1 een verklaring van de verdachte heeft gebezigd die voor dat bewijs geen bruikbare inhoud heeft.

4.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij

"op 15 november 1998 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een hard voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] geslagen en het strottenhoofd van die [slachtoffer 1] gebroken en met een scherp en puntig voorwerp in de hartstreek van die [slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] letsels heeft opgelopen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden."

4.2.2. Tot het bewijs van dat feit heeft het Hof onder meer gebezigd een proces-verbaal van een verhoor door de Rechter-Commissaris inhoudende als door de verdachte afgelegde verklaring:

"Ik ben die dag in het café van die [slachtoffer 1] geweest. Ik was daar vanaf ongeveer 19.30 uur. Ik heb daar op de gokkast gespeeld en ik heb daar wat gedronken. Ik ging om ongeveer 21.15 uur naar het toilet.

Toen ik na ongeveer 20 minuten weer uit het toilet kwam, zag ik [slachtoffer 1] achter de bar in zijn bloed liggen. Ik zag hem achter de bar op de grond liggen."

4.2.3. In zijn nadere bewijsoverwegingen als in het verkorte arrest onder 6.1 en onder 6.2 weergegeven, heeft het Hof nader aandacht geschonken aan de desbetreffende verklaring van de verdachte en geoordeeld dat deze voor wat betreft het gestelde verblijf op het toilet onaannemelijk is.

4.3. De hiervoor onder 4.2.2 weergegeven verklaring van de verdachte is redengevend voor het bewijs in zoverre deze inhoudt dat de verdachte geruime tijd aanwezig is geweest in het desbetreffende perceel waarin een café werd gedreven en waar het slachtoffer [slachtoffer 1] die avond werkzaam was, en dat hij daar ook nog verbleef ten tijde van het tegen die [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld, nu de verdachte immers eerst nadat hij had gezien dat [slachtoffer 1] in een plas bloed achter de bar lag, en wel na 21.30 uur het café heeft verlaten, terwijl aldaar omstreeks 22.30 uur het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] is aangetroffen (bewijsmiddel 8).

4.4. De bewijsvoering van het Hof op dit punt in haar geheel beschouwd, kan niet anders worden begrepen dan dat het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte vanaf ongeveer 19.30 uur die avond en ook nog ten tijde van het jegens [slachtoffer 1] gepleegde delict in diens café aanwezig was (en vrij kort nadien dat pand heeft verlaten), doch niet dat de verdachte tegen het eind van zijn verblijf in het café, terwijl het delict werd begaan, ongeveer twintig minuten op het toilet heeft verbleven; in zoverre heeft het Hof, zoals volgt uit zijn nadere bewijsoverweging, de verklaring van de verdachte voor het bewijs immers niet van waarde geacht. Weliswaar heeft het Hof ten onrechte dat op zichzelf niet redengevende onderdeel van de verklaring van de verdachte onder de bewijsmiddelen opgenomen, maar zulks staat hier - gelet op de nadere bewijsoverwegingen - aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg.

4.5. Het middel faalt dus.

5. Beoordeling van het zesde middel

5.1. Het middel klaagt blijkens de toelichting daarover dat uit de gebezigde bewijsmiddelen "niet kan volgen dat het feit dat de verdachte bij [slachtoffer 2] in de taxi is gestapt en zijn activiteiten met het mes (oorzakelijk) verband houden met de opmerking over geld en daarmee met een voornemen tot afpersing en/of met dwang tot afgifte van geld".

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:

"op 15 november 1998 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van geld, toebehorende aan die [slachtoffer 2], bij die [slachtoffer 2] in de taxi is gestapt en in die taxi met een mes zwaaiende bewegingen voor het gezicht van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt en dat mes op de ribben van die [slachtoffer 2] heeft gericht en gericht gehouden en de punt van dat mes onder de keel van die [slachtoffer 2] heeft gehouden en tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "Heb je geld bij je"."

5.3. Tot het bewijs van dat feit heeft het Hof onder meer gebezigd een proces-verbaal van de politie van

16 november 1998, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

"Ik ben van beroep taxichauffeur. Op 15 november 1998 omstreeks 23.20 uur stond ik op de taxistandplaats Nieuwmarkt te Amsterdam. Er stapte een klant in die naar Geuzenveld te Amsterdam wilde. De klant nam plaats naast mij. Ik zag dat de man ter hoogte van de Geldersekade (het hof begrijpt: te Amsterdam) een mes uit de binnenzak van zijn jas haalde. Ik zag dat de man het mes in zijn rechterhand vasthield en met dat mes in mijn richting wees. Hij hield het mes ter hoogte van mijn ribben. Ik voelde mij daardoor bang. Ik hoorde de man zeggen: "Rijden, rijden, snel, anders snijd ik je open. Je bent van mij als je niet doorrijdt". Dit heeft de man een paar keer herhaald. Even later hoorde ik de man zeggen: "Als je de Theo van Doesburgstraat niet weet, snijd ik je alsnog open." De man hield de gehele tijd het mes op 10 cm afstand van mij. De man hield het mes ter hoogte van mijn ribben maar ook wel eens ter hoogte van mijn keel.

Op de hoek van de Theo van Doesburgstraat te Amsterdam hoorde ik de man zeggen: "Stoppen, stoppen". Ik stopte meteen. Ik hoorde de man zeggen: "Heb je geld bij je". Ik zag dat de zaktelefoon van de man op de grond in de auto lag. Op het moment dat de man zijn hand naar binnen stak om de telefoon te pakken gaf ik gas. De telefoon heb ik aan de politie gegeven."

5.4. Uit de gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder uit de hiervoor weergegeven verklaring - die immers inhoudt dat de verdachte "de gehele tijd" het mes op 10 centimeter afstand van het slachtoffer hield -, kan worden afgeleid dat de vraag "heb je geld bij je" door de verdachte aan het slachtoffer is gesteld onder de door de verdachte jegens het slachtoffer uitgeoefende dreiging met geweld.

De bewezenverklaring is dus toereikend gemotiveerd.

5.5. Het middel faalt derhalve.

6. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 juni 2002.