Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD9430

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2002
Datum publicatie
22-02-2002
Zaaknummer
C00/084HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 117
NJ 2003, 174 met annotatie van G.J.J. Heerma van Voss
JWB 2002/87
JAR 2002/81 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 februari 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/084HR

CP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. A.G. Castermans,

t e g e n

1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats],

3. [Verweerder 3], wonende te [woonplaats],

4. [Verweerster 4], wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 10 augustus 1998 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de Kantonrechter te Wageningen en gevorderd [verweerder] c.s. hoofdelijk voor het geheel des dat de een betalend de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd te veroordelen tot betaling van onder andere:

a. het [eiser] toekomende salaris van ƒ 2.458,-- bruto per maand vanaf 1 maart 1998 tot de datum van rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband;

b. de wettelijke verhoging ex art. 7A:625 BW over het onder a vast te stellen bedrag;

c. de [eiser] toekomende vakantietoeslag van 8% vanaf 1 juni 1997 tot de datum van beëindiging van het dienstverband;

d. de wettelijke verhoging ex art. 16c WMM over het onder c vast te stellen bedrag;

e. de wettelijke rente over de onder a, b, c en d vast te stellen bedragen telkens vanaf het moment dat deze verschuldigd zijn.

[Verweerder] c.s. hebben de vorderingen bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 24 februari 1999 de vorderingen toegewezen.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem.

Bij vonnis van 2 december 1999 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende:

[verweerder] c.s. veroordeeld, hoofdelijk des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, aan [eiser] te betalen:

a. het salaris van ƒ 2.458,-- bruto per maand over de periode 1 maart 1998 tot 20 april 1998;

b. de vakantietoeslag van 8% over de periode 1 juni 1997 tot 20 april 1998;

c. het bedrag gelijk aan het salaris over een tijdvak overeenkomend met de vakantiedagen over de periode 1 januari 1998 tot 20 april 1998;

d. de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over het sub a te berekenen bedrag;

e. de wettelijke verhoging ex art. 18 WMM over het sub. b te berekenen bedrag;

f. de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over het sub. c te berekenen bedrag;

g. de wettelijke rente over de sub a, b, d, en e bedoelde bedragen, telkens vanaf het moment dat deze verschuldigd zijn tot aan de dag der algehele voldoening.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is op 3 september 1965 als meubelstoffeerder in dienst getreden bij [verweerder] c.s. Ten tijde van het ontslag op staande voet was hij 50 jaar oud en ruim 32 jaar in dienst bij [verweerder] c.s.

(ii) Op 12 januari 1998 heeft [eiser] zich ziek gemeld. De bedrijfsarts van de ARBO-dienst heeft [eiser] per 22 januari 1998 arbeidsgeschikt verklaard. De verzekeringsarts van het GAK heeft [eiser] op zijn verzoek op 23 januari 1998 opnieuw onderzocht. Naar aanleiding daarvan heeft de verzekeringsarts bij brief van 18 februari 1998 aan [eiser] geschreven: "Uit het onderzoek is gebleken dat u op 22-01-1998 niet ongeschikt bent tot het verrichten van de eigen aangeboden arbeid."

(iii) [Eiser] heeft zich niet op het werk gemeld en heeft zich evenmin opnieuw ziek gemeld. [Verweerder] c.s. hebben het loon sedert 1 maart 1998 niet meer betaald.

(iv) Bij brief van 2 april 1998 hebben [verweerder] c.s. aan [eiser] onder meer medegedeeld dat zij zich op het standpunt stelden dat sprake was van werkweigering, maar dat zij hem desondanks een laatste kans wilden geven om zijn werk te hervatten. [Eiser] werd aangezegd dat wanneer hij niet op 6 april 1998 om 8.00 uur op zijn werk zou verschijnen, hij op staande voet zou worden ontslagen. Deze brief is op 3 april 1998 aan [eiser] uitgereikt.

(v) Op 6 april 1998 heeft [eiser] zich ziek gemeld omdat hij griep had. De bedrijfsarts van de ARBO-dienst heeft [eiser] op 8 april 1998 arbeidsongeschikt verklaard en hem per 16 april 1998 weer arbeidsgeschikt verklaard. De verzekeringsarts van het GAK heeft [eiser] op zijn verzoek op 20 april 1998 opnieuw onderzocht. Bij brief van 24 april 1998 heeft de verzekeringsarts aan [eiser] geschreven: "Uit het onderzoek is gebleken dat u op 16-04-1998 niet ongeschikt bent tot het verrichten van de eigen aangeboden arbeid."

(vi) Bij brief van 23 april 1998 hebben [verweerder] c.s. [eiser] op staande voet ontslagen. Zij hebben daarvoor als reden opgegeven: "Gelet op de uitkomst van het onderzoek d.d. 20 april j.l., diende u uw werkzaamheden bij [verweerster 1] met onmiddellijke ingang te hervatten. Tot op heden bent u echter niet op uw werk verschenen. Derhalve is sprake van onwettig verzuim."

(vii) Na telefonisch contact tussen [verweerder] c.s. en [betrokkene A] van de dienstenbond CNV op 27 april 1998, heeft laatstgenoemde bij brief van 29 april 1998 namens [eiser] de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

(viii) Op 4 mei 1998 heeft [eiser] zich op het werk gemeld en kenbaar gemaakt dat hij zijn werkzaamheden wilde hervatten. [Verweerder] c.s. hebben [eiser] toen niet toegelaten tot het werk.

(ix) Door de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening is op 26 mei 1998 aan [verweerder] c.s., voorzover vereist, vergunning verleend om de arbeidsovereenkomst met [eiser] te beëindigen. [Verweerder] c.s. hebben de arbeidsovereenkomst opgezegd bij brief van 28 mei 1998, tegen 29 september 1998.

3.2 In de onderhavige procedure heeft [eiser] de hiervoor onder 1 vermelde vordering ingesteld. In cassatie is van belang de loonvordering over de periode vanaf 23 april 1998 tot aan de rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband. [Eiser] stelt zich op het standpunt dat het ontslag, dat aan hem is verleend omdat hij zich na het onderzoek van 20 april 1998 niet direct weer op het werk heeft gemeld, nietig is. De Kantonrechter heeft de vordering toegewezen.

3.3 De Rechtbank heeft het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en heeft daartoe, kort weergegeven en voorzover in cassatie van belang, als volgt overwogen. [Eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij van 16 april 1998 tot 23 april 1998 nog ziek was, maar aan deze stelling heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die het oordeel dat hij werkelijk ziek was kunnen dragen. De Rechtbank heeft op grond van de in het vonnis vermelde feiten aangenomen dat [eiser] in elk geval vanaf 20 april 1998 arbeidsgeschikt was, zodat hij vanaf deze datum verplicht was zijn werk te hervatten. Zij heeft daarbij in het midden gelaten of de verzekeringsarts [eiser] direct na het onderzoek op 20 april 1998 heeft medegedeeld dat hij niet arbeidsongeschikt was, zoals [verweerder] c.s. stellen en [eiser] betwist. De Rechtbank heeft aan een en ander de conclusie verbonden dat [eiser] vanaf 20 april 1998 onwettig afwezig is geweest. Gelet op de omstandigheid dat [eiser] door [verweerder] c.s. bij de brief van 2 april 1998 uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor de consequenties van zijn gedrag, heeft de Rechtbank geoordeeld dat [verweerder] c.s. [eiser] op 23 april 1998 op staande voet mochten ontslaan op grond van onwettig verzuim. Vanaf 20 april 1998 is naar het oordeel van de Rechtbank de loonvordering derhalve niet toewijsbaar (rov. 17-19).

3.4 Onderdeel 1 bevat de klacht dat dit oordeel onjuist is omdat de Rechtbank bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden in de zin van art. 7:678 BW, de persoonlijke omstandigheden van [eiser] en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zou hebben, in aanmerking had moeten nemen. Onderdeel 2 voegt daaraan toe dat, indien de Rechtbank deze regel wel in acht heeft genomen, haar vonnis onvoldoende is gemotiveerd in verband met de volgende door [eiser] gestelde omstandigheden:

(a) [eiser] was ten tijde van het ontslag 50 jaar oud en bijna 33 jaar in dienst van [verweerder] c.s.;

(b) hij heeft tot medio 1997 tot tevredenheid van [verweerder] c.s. gewerkt;

(c) er was sprake van een arbeidsconflict in verband met het volgende:

- in de tweede helft van 1997 rees een dispuut over de continuering van het feit dat [eiser] elke vrijdag vrij was en over het verschuiven van het aanvangstijdstip van de werkdag van 7 naar 8 uur;

- [eiser] was per 6 oktober 1997 op non-actief gesteld in verband met het verzoek van [verweerder] c.s. aan de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening toestemming te verlenen het dienstverband op te zeggen;

- na de afwijzing van het verzoek werd de non-activiteit terstond opgeheven, maar de bejegening van [eiser] door [verweerder] c.s. liet te wensen over;

- een en ander leidde tot "situatieve arbeidsongeschiktheid" van [eiser];

(d) [eiser] is een werkloosheiduitkering onthouden, terwijl hij uit zijn bedrijf onvoldoende inkomsten geniet om in zijn levensonderhoud te voorzien.

3.5 Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden in de zin van art. 7:677 lid 1 in verbinding met art. 7:678 lid 1 BW moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als een dringende reden aanmerkt tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. (HR 21 januari 2000, nr. C 98/140, NJ 2000, 190).

3.6 De Rechtbank heeft nagelaten ervan blijk te geven dat zij de hier vereiste afweging - in het bijzonder wat betreft de hiervoor onder 3.4 vermelde omstandigheden - heeft verricht. Daardoor heeft zij hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen slagen derhalve.

3.7 In onderdeel 3 wordt met recht betoogd dat, indien de werkgever - zoals in dit geval - de uitkomst van het onderzoek van de deskundige aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, niet in het midden kan worden gelaten zoals de Rechtbank heeft gedaan, of de werknemer van deze uitslag direct na het onderzoek op de hoogte is gesteld. Ook in dit opzicht heeft de Rechtbank hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting - indien zij zou hebben aangenomen dat deze omstandigheid niet van belang was - hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.

3.8 De rechtsklacht van onderdeel 4 faalt, nu het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] verplicht was om, zodra hij zich in staat achtte zijn arbeid na ziekte te hervatten, daartoe over te gaan zonder eerst een schriftelijke hersteldverklaring van de bedrijfsvereniging af te wachten, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Onderdeel 4 slaagt echter voorzover het de klacht bevat dat zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk is het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] zich in staat achtte zijn arbeid te hervatten. Zijn stellingen dat hij van 16 tot 23 april 1998 nog ziek was en de telefonische en schriftelijke reactie op het ontslag op staande voet, inhoudende dat [eiser] nog geen schriftelijke uitslag van de "second opinion" had en dat derhalve niet sprake was van "onwettig verzuim", houden immers in dat hij zich daartoe niet in staat achtte.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 2 december 1999;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 222,95 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 22 februari 2002.