Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD9339

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-04-2002
Datum publicatie
26-04-2002
Zaaknummer
C00/230HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD9339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 256
NJ 2004, 210 met annotatie van J. Hijma
RvdW 2002, 74
JWB 2002/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 april 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/230HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons,

t e g e n

[Verweerster], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploit van 23 juni 1993 verweerster in cassatie en Aannemingsbedrijf [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], - verder afzonderlijk te noemen: [verweerster] en [A B.V.]- gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voorzover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] en [A B.V.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen tot betaling aan [eiser] c.s. van een bedrag van ƒ 103.595,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 1992 en te vermeerderen met de preprocessuele rechtsbijstand- en deskundigenkosten van ƒ 5.741,01 en de kosten van beslag.

[Verweerster] en [A B.V.] hebben de vordering gemotiveerd bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 8 juni 1994 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 5 juli 1995 een deskundigenonderzoek bevolen. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 15 januari 1997 de vordering van [eiser] c.s. ten opzichte van [A B.V.] afgewezen en [eiser] c.s. en [verweerster] ter zitting opgeroepen voor het verstrekken van inlichtingen. Bij tussenvonnis van 12 maart 1997 heeft de Rechtbank [verweerster] tot bewijslevering toegelaten. Ten slotte heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 18 maart 1998 [verweerster] veroordeeld om aan [eiser] c.s. te betalen het bedrag van ƒ 107.250,38, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 101.509,37 vanaf 24 september 1992, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

[Verweerster] heeft tegen de vijf hiervoor vermelde vonnissen, voorzover gewezen tussen haar en [eiser] c.s., hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 4 mei 2000 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [eiser] c.s. respectievelijk [verweerster] als onder 18 van dit arrest bedoeld en iedere verdere beslissing aangehouden.

Het tussenarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het tussenarrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2 vermelde feiten.

3.2 [Eiser] c.s. hebben aan hun hiervoor onder 1 vermelde vordering tot vergoeding van schade ten bedrage van ƒ 103.595,-- ten grondslag gelegd dat [verweerster] haar verplichting uit de op 10 januari 1992 met [eiser] c.s. gesloten overeenkomst, waarbij zij zich tegen betaling van ƒ 207.840,-- jegens [eiser] c.s. verbond tot strikte nakoming van de aannemingsovereenkomst die zij met [A B.V.] had gesloten met betrekking tot de restauratie van het door haar aan [eiser] c.s. verkochte en geleverde pand [b-straat 1] te [woonplaats], niet is nagekomen, nu [A B.V.] die aannemingsovereenkomst ondeugdelijk heeft uitgevoerd. De Rechtbank heeft deze vordering tot een bedrag van ƒ 101.509,37 toegewezen. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen:

"Bij conclusie na enquête heeft [verweerster] thans betwist dat [eiser] c.s. schade hebben geleden, nu zij de woning inmiddels hebben verkocht en een koopprijs hebben ontvangen die niet ligt beneden de prijs waarvoor zij de woning destijds hebben gekocht. De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar de rechtbank begrijpt is de onderliggende gedachte van [verweerster] dat het nadeel (de schade) dat [eiser] c.s. hebben geleden inmiddels ongedaan is gemaakt door het voordeel (het verschil tussen aankoopkosten en verkoopopbrengst) dat zij hebben behaald bij de verkoop van de woning. Dit voordeel staat niet in verband met de gebeurtenis, die voor [eiser] cs nadeel heeft opgeleverd (de wanprestatie) en komt derhalve niet voor verrekening op de voet van artikel 6:100 BW in aanmerking." (eindvonnis rov. 9)

3.3 In hoger beroep, waar [verweerster] zich met haar grief 7 keerde tegen deze overweging, heeft het Hof voorzover thans van belang het volgende overwogen:

"15. Ter toelichting op grief 7 wijst [verweerster] erop, dat deze verkoop op 1 september 1995 heeft plaatsgevonden, dat de koopprijs ƒ 477.000,-- bedroeg en aanzienlijk hoger was dan de door [eiser] betaalde koopprijs, terwijl het pand nadien op 2 juni 1997 nogmaals is doorverkocht, en wel voor ƒ 540.000,--. Met een beroep op HR 10 juni 1988, NJ 1988, 965 betoogt [verweerster], dat in dit geval waarin de schade niet is hersteld voordat het pand werd doorverkocht, de schade niet, zoals [eiser] wenst, abstract op basis van niet-gemaakte herstelkosten moet worden berekend, maar concreet dient te worden nagegaan of en, zo ja, in hoeverre de (door de deskundige vastgestelde) gebreken bij doorverkoop tot een lagere prijs hebben geleid dan zonder deze gebreken het geval zou zijn geweest.

16. Hiertegen wordt door [eiser] ingebracht, dat hij, na aanvankelijk tot herstel van de tekortkomingen te hebben gesommeerd, op 10 september 1992 jegens [verweerster] aanspraak heeft gemaakt op vervangende schadevergoeding en dat thans nakoming niet meer aan de orde is. Ter verklaring van de "winst" bij doorverkoop wijst hij op een aantal kostbare verbouwingen in het pand tot een totaal bedrag van ƒ 115.000,--, dat ook zijn koper voor ƒ 50.000,-- heeft geïnvesteerd en dat er sinds zijn aankoop in 1992 een aanzienlijke stijging van de huizenprijzen is opgetreden. Daarbij komt nog een bedrag van ƒ 20.000,-- excl. BTW dat hij aan de huidige eigenaar van het pand voor opknapkosten moet betalen.

17. Het hof oordeelt dat in dit geval waarin kennelijk slechts een (gering) deel van de geadviseerde herstelkosten is of wordt gemaakt, [eiser] slechts schade lijdt voorzover komt vast te staan dat de niet herstelde tekortkomingen zoals door de deskundige vastgesteld nadelige invloed op de verkoopprijs hebben gehad. In het deskundigenrapport wordt geen post voor herstel van houtrot genoemd, zodat de daaraan te besteden kosten buiten beschouwing moeten blijven, terwijl de post schilderwerk slechts voor ƒ 4.100,-- (het door de deskundige genoemde bedrag) in aanmerking kan worden genomen."

Het Hof, dat deskundige voorlichting behoefde over de vraag naar de invloed van het grotendeels niet-hersteld zijn van de geconstateerde gebreken op de door [eiser] c.s. te realiseren/gerealiseerde verkoopprijs, heeft vervolgens de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten over de persoon en het aantal van de te benoemen deskundigen en de aan dezen te stellen vragen.

3.4.1 Het middel bevat onder 2 in de eerste plaats de klacht dat 's Hofs oordeel in rov. 17, dat [eiser] c.s. slechts schade hebben geleden voorzover komt vast te staan dat de niet herstelde tekortkomingen, zoals door de deskundige vastgesteld, nadelige invloed op de verkoopprijs hebben gehad, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu het bij de gevorderde schade gaat om het bedrag dat nodig is om de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst.

3.4.2 Deze klacht is gegrond. In de zaak waarop het in rov. 15 van het Hof genoemde arrest betrekking heeft, ging het om een vordering tot vergoeding van de kosten van herstel van schade door een huurder toegebracht aan een huis in een geval dat daardoor werd gekenmerkt dat a) geen herstel van de schade had plaatsgevonden en b) de eigenaar van het huis kort na het einde van de huur tot verkoop van het huis was overgegaan. In een dergelijk geval is van schade slechts sprake voorzover het handelen van de huurder een nadelige invloed op de bedongen verkoopprijs heeft gehad. In het onderhavige geval gaat het om een overeenkomst waarbij [verweerster] zich heeft verbonden tot het verrichten van een bepaalde prestatie in verband met de restauratie, waartegenover [eiser] c.s. zich hebben verbonden tot betaling van een geldsom. [Eiser] c.s. vorderen in de onderhavige procedure vervangende schadevergoeding als bedoeld in art. 6:87 BW, wegens gedeeltelijke niet-nakoming door [verweerster] van haar verbintenis en zij stellen de door hen geleden schade op het bedrag van de herstelkosten, hoewel zij de gebreken niet hebben doen herstellen en enige jaren later het betrokken huis hebben verkocht. In een dergelijk geval moet de schade worden begroot op basis van de vermogensvermindering die ten tijde van de niet-nakoming door de tot de prestatie gerechtigde is geleden ten opzichte van de situatie waarin hij zou zijn geraakt bij behoorlijke nakoming van de verbintenis, en is de latere verkoop van het huis een omstandigheid waaraan in het kader van een vordering tot vervangende schadevergoeding als de onderhavige geen betekenis toekomt.

3.5 De in het middel onder 3 naar voren gebrachte klachten berusten op een onjuiste lezing van 's Hofs arrest. Zij kunnen daarom wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.6 De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 mei 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 1.095,36 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 april 2002.