Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD9222

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2002
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
02538/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD9222
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Politiewet 1993 8
Wet op de rechterlijke organisatie 99
Wet op de rechterlijke organisatie 79
Wetboek van Strafvordering 125g
Wetboek van Strafvordering 315
Wetboek van Strafvordering 414
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 106
NBSTRAF 2002/108
NbSr 2002/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 februari 2002

Strafkamer

nr. 02538/00

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 december 1999, nummer 22/000379-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 januari 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod", 3. "medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit", 4. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie",

5. "medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of daartoe middelen of inlichtingen te verschaffen en zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit verschaffen" en 6. "enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden" veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, en mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat primair de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, de verzoeken tot het horen van de CID-runners [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de contactpersonen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] bij het Bundeskriminalamt (BKA) als getuigen heeft afgewezen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 november 1999 houdt - voorzover van belang - in:

"Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede, dat hij de verzoeken vermeld in zijn brief van 21 juni 1999 herhaalt voor zover zij niet ter terechtzitting van 6 juli 1999 zijn gehonoreerd. In aanvulling hierop stelt de raadsman dat er aanwijzingen zijn dat [betrokkene 6] is opgetreden als infiltrant dan wel criminele burgerinfiltrant (de Hoge Raad begrijpt: burgerinformant). Gelet hierop wil hij nagaan hoe de sturing en de begeleiding van [betrokkene 6] is geweest. In verband hiermee verzoekt hij het hof het onderhavige dossier te completeren met de stukken van het gvo tegen [betrokkene 6], en indien dit verzoek door het hof wordt afgewezen met de ontbrekende tapverslagen zoals reeds verzocht per brief van 6 juli 1999. Voorts verzoekt de raadsman het hof [betrokkene 5], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen en stelt daartoe als volgt. Teamleider [betrokkene 5] van de RCID Utrecht/Amersfoort is op 6 oktober 1999 door de rechter-commissaris gehoord. Volgens hem heeft [betrokkene 5] niet de waarheid gesproken en is in werkelijkheid [betrokkene 6] opgetreden als infiltrant/- gestuurde informant."

3.3.1. Dit proces-verbaal houdt - voorzover van belang - mede in dat het Hof naar aanleiding van het verzoek van de raadsman van de verdachte als volgt heeft overwogen:

"Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede, dat het hof de verzoeken van de raadsman afwijst. Het hof is van oordeel dat - met name gelet op de verklaringen bij de rechter-commissaris van diverse politiefunctionarissen en van [betrokkene 6] zelf - thans voldoende duidelijkheid bestaat over de rol van de laatste. Tegen de achtergrond van die verklaringen bestaat naar 's hofs oordeel onvoldoende grond om aan [betrokkene 5]'s verklaring een conclusie te verbinden zoals de raadsman doet.

Gelet op het bovenstaande kan verdachte door het niet horen van [betrokkene 5], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen ter terechtzitting redelijkerwijs niet in zijn verdediging worden geschaad."

3.3.2. In de bestreden uitspraak heeft het Hof onder het kopje "Verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak" als volgt overwogen:

"De raadsman heeft - voor het geval dat het hof noch het beroep op niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie noch het beroep op onrecht-matige bewijsgaring zou honoreren - verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde a) alsnog aan het dossier toe te voegen de stukken, genoemd in zijn brief aan de advocaat-generaal d.d. 21 juni 1999 onder nrs. A 1 en 5 tot en met 8 en b) alsnog op te roepen als getuigen de personen genoemd in die brief onder nrs. B 9, 11 en 12. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek verwezen naar de betreffende passages in genoemde brief.

Het hof wijst het verzoek af nu naar zijn oordeel voor inwilliging daarvan geen noodzaak bestaat noch door de afwijzing van het verzoek de verdachte redelijkerwijs in zijn verdediging kan worden geschaad.

Voor wat betreft de stukken van het gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 6] en de getuigen genoemd onder nrs. B 9 en 11 van de brief verwijst het hof naar hetgeen hiervoor betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie onder a, d, e en f is overwogen.

Voor wat betreft de onder nr. B 12 genoemde getuige verwijst het hof naar hetgeen dienaangaande is overwogen ter terechtzitting van 6 juli 1999.

Voor wat betreft de onder nrs. A 5 tot en met 8 genoemde stukken verwijst het hof naar hetgeen hiervoor betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie onder f is overwogen. Gelet daarop dient thans het belang van een vlotte doorgang van het proces zwaarder te wegen dan het belang van de verdachte bij een verdere aanhouding voor het alsnog in het dossier voegen van de betreffende stukken."

3.3.3. Met betrekking tot de stellingen van de verdediging is in de bestreden uitspraak onder a, d, e en f overwogen:

"Ad a. aangestuurde infiltrant/criminele informant [betrokkene 6]

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat het enkele onderhouden van contacten door [betrokkene 6] met een CID over verdachte rechtens ongeoorloofd zou zijn verwerpt het hof dit betoog, omdat het geen steun vindt in het recht.

Voorts is naar 's hofs oordeel tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 6] in de onderhavige zaak onder regie of met medeweten van organen van Nederlandse politie of justitie als infiltrant/-gestuurde informant is opgetreden noch dat hij getracht zou hebben verdachte tot het plegen van strafbare feiten uit te lokken. Het hof wijst in dit verband op hetgeen op dit punt naar voren komt uit de verklaringen van diverse politiefunctionarissen bij de rechter-commissaris na verwijzing door het hof, welke verklaringen - mede in onderling verband bezien - het hof geloofwaardig voorkomen.

Mede gelet op het vorenstaande bestaat voorts naar 's hofs oordeel onvoldoende aanwijzing voor de stelling van de raadsman dat het gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte op onrechtmatige gronden is geopend.

Ad d. Het niet geven van openheid door politie en openbaar ministerie

Dit onderdeel van het verweer gaat uit van de aanname dat [betrokkene 6] in de onderhavige strafzaak is opgetreden als infiltrant/gestuurde informant. Deze aanname is in strijd met hetgeen de na verwijzing door de rechter-commissaris gehoorde politiefunctionarissen hebben verklaard en is ook anderszins niet aannemelijk geworden. Zoals hiervoor reeds is overwogen worden de verklaringen van bedoelde politiefunctionarissen voorzover het dit punt betreft wel geloofwaardig geacht. Dat sprake zou zijn van misleiding danwel verzwijging van in dit verband relevante informatie is in het geheel niet aannemelijk geworden.

Ad e. Het niet inschakelen van de rijksrecherche

Naar 's hofs oordeel valt niet in te zin dat het niet inschakelen van de rijksrecherche in het opsporingsonderzoek in strijd is met de circulaire van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie d.d. 10 juli 1997 betreffende taken en inzet van de rijksrecherche. In de onderhavige strafzaak gaat het immers van begin af in hoofdzaak niet zozeer om corruptie als bedoeld in die circulaire alswel om verdenking van overtreding van de Opiumwet, zodat het gestelde in de circulaire niet dwingend voorschrijft dat het opsporingsonderzoek door de rijksrecherche moet geschieden.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat het opsporingsonderzoek tegen verdachte niet onpartijdig of (anderszins) onzorgvuldig is geweest.

Ad f. Het niet verstrekken van stukken aan de verdediging

Vastgesteld kan worden dat sommige door de raadsman gewenste stukken - in weerwil van 's hofs verzoek aan de advocaat-generaal - in het geheel niet aan het dossier zijn toegevoegd terwijl toevoeging van andere stukken eerst in een laat stadium heeft plaatsgevonden, een en ander mede door - naar ter zitting aannemelijk is geworden - een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Evenwel bestaat thans, met name door het horen van politiefunctionarissen en [betrokkene 6] door de rechter-commissaris, tijdens welke verhoren de verdediging de gelegenheid heeft gehad vragen te stellen, voldoende duidelijkheid over - globaal gezegd - de in de onderhavige zaak gebezigde opsporingsmethoden. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting voorts medegedeeld dat - naar hem uit eigen wetenschap bekend is - de stukken aangeduid als G 2/ 3 en 5 niet op de onderhavige zaak betrekking hebben. Dat de overige stukken ontlastend materiaal zouden kunnen bevatten danwel van belang zouden kunnen zijn voor toetsing van de betrouwbaarheid van de gebezigde bewijsmiddelen is niet aannemelijk geworden.

Het hof merkt in dit verband voorts nog op dat evenmin aannemelijk is geworden dat door politie en/of openbaar ministerie doelbewust is getracht het hof en/of de verdediging relevante stukken te onthouden."

3.4. Het oordeel van het Hof dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad door het niet horen van de CID-runners en de contactpersonen bij het BKA getuigt niet van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gelet op de hiervoor onder 3.3.3 Ad a weergegeven vaststelling door het Hof - welke vaststelling geheel of gedeeltelijk is gegrond op verklaringen van politiefunctionarissen - dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 6] in de onderhavige zaak onder regie of met medeweten van organen van de Nederlandse politie of justitie als infiltrant/gestuurde informant is opgetreden of dat hij getracht zou hebben verdachte tot het plegen van strafbare feiten uit te lokken. Tot nadere motivering was het Hof gelet op de toelichting van het verzoek niet gehouden.

3.5. Het middel behelst subsidiair de klacht dat het Hof ten onrechte althans onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd de verweren heeft verworpen dat [betrokkene 6] als aangestuurde informant/infiltrant is opgetreden en/of verzoeker in die hoedanigheid heeft uitgelokt tot de hem verweten feiten, als gevolg waarvan het gerechtelijk vooronderzoek op onrechtmatige gronden is geopend en de politie alsmede het Openbaar Ministerie hebben geweigerd hieromtrent openheid van zaken te geven.

3.6. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 6] in de onderhavige zaak onder regie of met medeweten van organen van de Nederlandse politie of justitie als infiltrant/gestuurde informant is opgetreden noch dat hij getracht zou hebben verdachte tot het plegen van strafbare feiten uit te lokken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook gelet op het evenmin onbegrijpelijke oordeel van het Hof dat de hierop betrekking hebbende verklaringen van diverse

politiefunctionarissen bij de rechter-commissaris - mede in onderling verband bezien - het Hof geloofwaardig voorkomen.

3.7. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd het verzoek van de raadsman tot aanvulling van het dossier met een aantal als A2, A5, A6, A7 en A8 aangeduide stukken heeft afgewezen, althans dat het Hof ten onrechte, althans onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat in strijd met de art. 30-34 en 51 Sv en art. 6 EVRM aan de verdediging geen afschrift van deze stukken is verstrekt.

5.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 juli 1999 houdt in dat het Hof naar aanleiding van een verzoek van de kant van de raadsman om bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen als volgt heeft beslist:

"Na schorsing van het onderzoek, beraad in raadkamer en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat:

(...)

e. het hof de advocaat-generaal verzoekt het dossier te completeren met de door de raadsman onder de punten A2, A5, A6, A7 en A8 van zijn brief d.d. 21 juni 1999 bedoelde ontbrekende stukken."

5.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 november 1999 houdt onder meer in:

"Voorts deelt de raadsman mede, dat hij nog steeds stukken in zijn dossier mist. (...) De raadsman deelt mede, dat hij eind vorige week werd gebeld met de mededeling dat hij stukken op de griffie mocht komen inzien (...).

(...) De advocaat-generaal deelt hierop mede, dat hij na de zitting van 6 juli 1999 de politie opdracht heeft gegeven om te kijken welke stukken nog ontbraken. De zaak is vervolgens naar de rechter-commissaris gegaan. Er is toen een aantal stukken ter beschikking gesteld aan de raadsman (...). Rond september 1999 (...) heeft de advocaat-generaal van de politie begrepen dat de verstrekking van de stukken aan de raadsman zonder enig probleem is verlopen. Naar aanleiding [van de brief van de raadsman aan de rechter-commissaris van 4 oktober 1999] heeft de advocaat-generaal contact laten opnemen met de rechter-commissaris maar haar was toen niet duidelijk welke stukken wel of niet waren verstrekt. De ordners met tapgesprekken zijn niet ter beschikking van de raadsman gesteld. (...) De tapverslagen zijn niet relevant en dienen dan ook niet aan het dossier toegevoegd te worden maar de raadsman mag die wel komen inkijken. (...)."

5.2.3. Laatstgenoemd proces-verbaal houdt voorts als overweging van het Hof in - voorzover van belang -:

"Met betrekking tot het verzoek van de raadsman om alsnog stukken aan het dossier toe te voegen overweegt het Hof als volgt.

Vastgesteld kan worden dat sommige door de raadsman gewenste stukken - in weerwil van 's hofs verzoek aan de advocaat-generaal - in het geheel niet aan het dossier zijn toegevoegd terwijl toevoeging van andere stukken eerst in een laat stadium heeft plaatsgevonden, een en ander mede door - naar ter zitting aannemelijk is geworden - een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Evenwel bestaat thans, met name door het horen van politiefunctionarissen en [betrokkene 6] door de rechter-commissaris, tijdens welke verhoren de verdediging de gelegenheid heeft gehad vragen te stellen, voldoende duidelijkheid over - globaal gezegd - de in de onderhavige zaak gebezigde opsporingsmethoden. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting voorts medegedeeld dat - naar hem uit eigen wetenschap bekend is - de stukken aangeduid als G2/ 3 en 5 niet op de onderhavige zaak betrekking hebben. Dat de overige stukken ontlastend materiaal zouden kunnen bevatten danwel van belang zouden kunnen zijn voor toetsing van de betrouwbaarheid van de gebezigde bewijsmiddelen is niet aannemelijk geworden.

Het hof merkt in dit verband voorts nog op dat evenmin aannemelijk is geworden dat door politie en/of openbaar ministerie doelbewust is getracht het hof en/of de verdediging relevante stukken te onthouden."

5.3. De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 29 het volgende uiteengezet:

"De beslissing op het ter terechtzitting van 29 november 1999 wederom gedane verzoek tot toevoeging aan het dossier van de in dit middel bedoelde stukken (en daartoe het onderzoek te heropenen) is opgenomen in de hiervóór, onder 8 weergegeven overwegingen.

Ik merk op dat in het middel onder meer wordt gesproken over de stukken aangeduid met A2. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 november 1999 en in de bestreden uitspraak is het verzoek van de raadsman aldus weergegeven dat het onder meer betrekking had op de stukken bedoeld onder A1. Blijkens de toelichting op het vierde middel, dat betrekking heeft op de stukken aangeduid als A1 en A4, zijn met A1 aangeduid de stukken betreffende een in het arrondissement Haarlem ingesteld gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 6]. Dienaangaande heeft het Hof gemotiveerd beslist.

Uit de toelichting op dit middel onder 2.1 kan worden afgeleid dat met A2 werd gedoeld op observatierapporten. Hierboven vermeldde ik reeds dat de raadsman in zijn brief aan de rechter-commissaris gedateerd 4 oktober 1999 te kennen gaf dat hem nog één observatieverslag ontbrak, maar de advocaat-generaal (onweersproken) heeft medegedeeld dat dit stuk de raadsman inmiddels was toegezonden.

Een en ander voert mij tot de conclusie dat er in het middel een misslag is opgetreden, en dat het ter terechtzitting van 29 november 1999 gedane verzoek geen betrekking (meer) had op de observatieverslagen die in de brief van de raadsman van 21 juni 1999 kennelijk zijn bedoeld met A2."

Op de door de Advocaat-Generaal aangeduide gronden, als hiervoor weergegeven, heeft het middel kennelijk geen betrekking op de als A2 aangeduide stukken.

5.4. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Voorzover het gaat om stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs moet worden aangenomen dat - behoudens de bevoegdheid van de verdediging om harerzijds stukken in het geding te brengen en behoudens art. 414 Sv - de officier van justitie de stukken behelzende de resultaten van het opsporingsonderzoek aan het dossier toevoegt. Indien een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld heeft de rechter-commissaris een soortgelijke taak ten aanzien van de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek. In het dossier dienen te worden gevoegd stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin. De rechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het openbaar ministerie, alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken gelasten

(vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996, 687).

5.5. Blijkens de toelichting op het middel wordt daarin de stelling betrokken dat reeds het ter terechtzitting gedane verzoek van het Hof aan het openbaar ministerie bepaalde stukken bij het dossier te voegen, die stukken tot processtukken bestempelt, zodat het Hof niet kon terugkomen van dat eerdere verzoek en de zaak niet afgedaan kon worden voordat het dossier gecompleteerd was. Die stelling is onjuist. Indien de rechter van oordeel is dat de stukken, waarvan hij aanvankelijk de overlegging verlangde, bij nader inzien niet relevant zijn voor enige te nemen beslissing staat het hem vrij op daartoe aan te geven gronden van het eerder gedane verzoek terug te komen.

5.6. In de hiervoor onder 5.2.3 weergegeven overwegingen ligt als kennelijk oordeel van het Hof besloten dat er geen grond meer was het eerdere verzoek aan de Advocaat-Generaal, de verzochte stukken bij het dossier te voegen te handhaven en dat de niet verstrekte stukken niet als processtukken behoeven te worden beschouwd aangezien zij redelijkerwijze niet van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin. Aldus heeft het Hof, zonder in strijd te komen met art. 6 EVRM, een juiste maatstaf toegepast bij de afwijzing van het verzoek van de raadsman.

5.7. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het hier kennelijk ging om stukken die betrekking hadden op de in deze zaak gebezigde opsporingsmethoden en blijkens de overwegingen van het Hof door het inmiddels horen van politiefunctionarissen door de Rechter-Commissaris, voldoende duidelijkheid hierover is ontstaan. Voorts is te dezen van belang dat het Hof heeft vastgesteld dat van de zijde van het Openbaar Ministerie de nodige inspanningen zijn verricht om aan het aanvankelijke verzoek van het Hof te voldoen en als gevolg daarvan diverse stukken aan het dossier zijn toegevoegd die aan de raadsman zijn verstrekt alsmede dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld de resterende stukken, die volgens de Advocaat-Generaal niet relevant zijn in voor de verdachte belastende of ontlastende zin, in te zien, van welke gelegenheid geen gebruik is gemaakt.

5.8. Het middel faalt.

6. Beoordeling van het vierde middel

6.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd een verzoek tot aanvulling van het dossier met de stukken genoemd onder A1 en A4 in de brief van 21 juni 1999 van de raadsman heeft afgewezen.

6.2. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen met de overwegingen zoals hierboven onder 3.3.1, 3.3.2 , 3.3.3 Ad f., 5.2.1 en 5.2.2 weergegeven.

6.3. Voorzover het middel de klacht behelst dat het Hof niet heeft beslist op het ter terechtzitting van 29 november 1999 gedane verzoek om een proces-verbaal met betrekking tot de gang van zaken bij de door de politie genoemde infiltratieacties aan het dossier toe te voegen, mist het feitelijke grondslag. In de hiervoor onder 3.3.1 en 5.2.3 weergegeven overwegingen ligt besloten dat het Hof dit verzoek heeft afgewezen. Daarom faalt die klacht.

6.4. Voorzover in het middel wordt geklaagd over de ontoereikende motivering van de afwijzing van het hiervoor onder 6.3 aangeduide verzoek, wordt miskend dat het hier een verzoek tot toevoeging aan het dossier van een klaarblijkelijk nog niet bestaand stuk betreft. Het verzoek betrof dus het alsnog opmaken en overleggen van een bescheid. De inwilliging of afwijzing van een dergelijk verzoek moet naar de maatstaf van art. 315, eerste lid, Sv worden beoordeeld. In de hiervoor aangeduide overwegingen van het Hof ligt besloten dat het Hof de noodzaak van de overlegging van een bescheid als in het verzoek bedoeld niet aanwezig heeft geacht. Dat oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

6.5. Voorzover in het middel wordt geklaagd over de afwijzing van het verzoek tot toevoeging aan het dossier van de stukken betreffende het gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 6] faalt het eveneens. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat het hier geen processtukken in de zaak tegen de verdachte betreft. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het Hof dat zich geen noodzaak voordeed de rechtmatigheid van dit gerechtelijk vooronderzoek te onderzoeken is niet onbegrijpelijk, gelet op het feit dat de verdediging niet heeft gewezen op concrete aanwijzingen dat zich daarin onregelmatigheden hebben voorgedaan waardoor ook de verdachte in zijn belangen is getroffen (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000, 104, rov. 6.3).

7. Beoordeling van het vijfde middel

7.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, het verweer dat de verdachte onrechtmatig is geobserveerd, heeft verworpen.

7.2. Het Hof heeft naar aanleiding van dit verweer in de bestreden einduitspraak als volgt overwogen:

"Ad b.Stelselmatig observeren

Aan de raadsman kan worden toegegeven dat de observatie in deze zaak een stelselmatig karakter heeft gedragen, waarbij gebruik is gemaakt van een peil-zender onder verdachte's auto alsmede van foto- en videoapparatuur. Het hof is evenwel van oordeel dat die observatie - inclusief het gebruik van genoemde technische hulpmiddelen - toereikend grondslag vindt in artikel 2 van de Politiewet 1993. Het hof wijst in dit verband met name op het volgende:

1) verdachte is uitsluitend, althans voornamelijk geobserveerd terwijl hij zich bevond op plaatsen met een publiek karakter;

2) de observatie geschiedde terzake van verdenking van een ernstig feit, mede in aanmerking genomen dat het hier een verdachte politiefunctionaris betrof."

7.3.1. Door te oordelen als hiervoor onder 7.2 is weergegeven heeft het Hof geen blijk gegeven van miskenning van de hier aan te leggen maatstaven. De enkele omstandigheid dat de observaties zich voornamelijk beperkten tot hetgeen in het openbaar geschiedde, sluit niet uit dat er inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de geobserveerde persoon. Dat is evenwel door het Hof niet miskend. Voorts kon het Hof rekening houden met de graad van verdenking die ten aanzien van de geobserveerde persoon bestond (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000, 104). Het oordeel van het Hof is evenmin onbegrijpelijk.

7.3.2. Aan het vorenstaande wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het Hof het karakter van de observaties als stelselmatig heeft betiteld. Dat wordt niet anders doordat op 1 februari 2000, dus na de onderhavige observaties, maar voor de beoordeling door het Hof, de Wet van 27 mei 1999, Stb. 1999, 245 in werking is getreden. Toetsing daaraan was daarom niet op haar plaats (vgl. HR 16 maart 1999, NJ 1999, 686).

7.4. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

8. Beoordeling van het zesde middel

8.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, het verweer heeft verworpen dat de telefoontaps op oneigenlijke gronden zijn aangelegd en verlengd en onrechtmatig lang hebben voortgeduurd.

8.2. Het Hof heeft naar aanleiding van het gelijkluidende verweer van de raadsman van de verdachte in de bestreden uitspraak als volgt overwogen:

"Ad c.langdurig tappen telefoon zonder wettelijke grondslag

Naar 's hofs oordeel is niet aannemelijk geworden dat de telefoontaps niet (mede) ten doel hadden om te komen tot waarheidsvinding met betrekking tot het feit dat is omschreven in de vordering gerechtelijk vooronderzoek d.d. 10 november 1997, waarbij het hof het in die vordering omschreven feit, door het gebruik van de tijdsaanduiding "tot heden" daarin,

aldus leest dat het feit terzake waarvan verdenking bestond zich tevens uitstrekt over de periode na de datum van de vordering. Het hof is voorts van oordeel dat de tijdspanne gedurende welke de telefoontaps hebben plaatsgevonden voldoende rechtvaardiging vindt in de ernst van de verdenking, mede in aanmer-king genomen dat het hier een verdachte politiefunctionaris betrof."

8.3.1. Vooropgesteld dient te worden dat geen rechtsregel of rechtsbeginsel het openbaar ministerie verbiedt om

gegevens, verkregen tijdens een gerechtelijk vooronderzoek en tijdens afluisteren ter zake van een bepaald strafbaar feit, te bezigen voor de vervolging en tenlastelegging van een ander strafbaar feit, gepleegd na het instellen van dat gerechtelijk vooronderzoek en na het begin van het afluisteren (vgl. HR 21 mei 1991, NJ 1991, 731). Het oordeel van het Hof moet aldus worden verstaan dat het tot uitdrukking heeft gebracht dat zich die situatie heeft voorgedaan. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

Het middel faalt in zoverre.

8.3.2. In het middel wordt ook nog opgekomen tegen het oordeel van het Hof omtrent de lange duur van de taps en het dringende karakter van de noodzaak daartoe. Het staat in eerste instantie ter beoordeling van de rechter-commissaris of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt afgetapt of opgenomen en hoe lang dit dient te duren. Aan de zittingsrechter staat vervolgens slechts ter beoordeling of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

Het middel faalt ook in zoverre

8.3.3. Het oordeel van het Hof dat dit laatste hier het geval is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

9. Beoordeling van het zevende middel

9.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, het verweer heeft verworpen dat ten onrechte is nagelaten de Rijksrecherche in te schakelen en dat het opsporingsonderzoek ten onrechte is verricht door het Bureau Interne Zaken van de Rotterdamse politie, dat niet de vereiste onafhankelijkheid en objectiviteit in acht heeft genomen, als gevolg waarvan aan verzoekers recht op een eerlijk proces is tekortgedaan.

9.2. Het Hof heeft naar aanleiding van een gelijkluidend verweer van de raadsman van de verdachte overwogen:

"Ad e.Het niet inschakelen van de rijksrecherche

Naar 's hofs oordeel valt niet in te zien dat het niet inschakelen van de rijksrecherche in het opsporingsonderzoek in strijd is met de circulaire van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie d.d. 10 juli 1997 betreffende taken en inzet van de rijksrecherche. In de onderhavige strafzaak gaat het immers van begin af in hoofdzaak niet zozeer om corruptie als bedoeld in die circulaire alswel om verdenking van overtreding van de Opiumwet, zodat het gestelde in de circulaire niet dwingend voorschrijft dat het opsporingsonderzoek door de rijksrecherche moet geschieden.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat het opsporingsonderzoek tegen verdachte niet onpartijdig of (anderszins) onzorgvuldig is geweest."

9.3. Voorzover het middel uitgaat van de stelling dat de Circulaire taken en inzetcriteria rijksrecherche van 10 juli 1997, Stcrt. 18 juli 1997, nr. 135, recht is in de zin van art. 79 (99 oud) RO faalt het, aangezien de in de toelichting op het middel genoemde voorschriften zich naar hun inhoud en strekking er niet toe lenen jegens betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast (vgl. HR 19 juni 1990, NJ 1991, 119).

9.4. Voorzover het middel de klacht bevat dat het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat het opsporingsonderzoek jegens de verdachte niet onpartijdig of (anderszins) onzorgvuldig is geweest, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, faalt het eveneens. Het oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie.

10. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

11. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 februari 2002.