Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8939

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
01336/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8939
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 53
Wetboek van Strafvordering 128
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 184
NBSTRAF 2002/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 maart 2002

Strafkamer

nr. 01336/01

HJH/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 februari 2001, nummer 23/002813-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Libanon) op [geboortedatum] 1975, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Almere Binnen" te Almere.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 31 augustus 2000 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. T. Arkesteijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel keert zich tegen de verwerping door het Hof van het namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest, aangezien geen sprake meer was van ontdekking op heterdaad.

4.2.Het Hof heeft het verweer verworpen en daartoe als volgt overwogen:

"Uit het ambtsedig proces-verbaal van de Operationele Recherche/Schipholteam, opgemaakt op 19 juni 2000 door W.E.A.N. Verheijen, R. van der Meyde, R.C.W. Grift, H. Barnhoorn, E.A.M. Schulte en A.A. Zoon, allen werkzaam in het Schipholteam, blijkt het volgende.

Op 17 juni 2000, omstreeks 9.00 uur bevinden verbalisanten Verheijen en Van der Meyde zich in de bagagekelder van de luchthaven Schiphol. Op de bagageband 1 wordt transitbagage afkomstig vanuit Caracas, Venezuela gelost. Verbalisanten treffen op deze bagageband een koffer aan ten name van [verdachte].

De koffer had een doorvliegbestemming naar Amman met de vlucht RJ 152. Zij onderwerpen deze koffer aan een

nader onderzoek. In de koffer blijkt een tweede binnenschaal te zijn gemonteerd. In deze tweede binnenschaal wordt een witte stof aangetroffen, die blijkens de ESA cocaïnetest positief kleurt. De aangetroffen stof bevat vermoedelijk cocaïne. De koffer wordt overgebracht naar het bureau van de Koninklijke Marechaussee, district Schiphol, alwaar de inhoud van de koffer nader wordt onderzocht. In de kleding wordt een aantal slikkersbollen aangetroffen.

Verbalisant Van der Meyde stelt verbalisanten Barnhoorn en Schulte van de bevindingen op de hoogte. Laatstgenoemde verbalisanten begeven zich omstreeks 16.30 uur naar gate D4 waar het inchecken van de vlucht RJ 152 naar Amman plaatsvindt. Op aanwijzing van het KLM personeel wordt de man die reist onder de naam [verdachte] aangewezen. Nadat de man verbalisanten Schulte en Barnhoorn een claimtag ten name van [verdachte] overhandigt, wordt hij op 17 juni 2000 te 16.50 uur door de verbalisanten voornoemd aangehouden.

Blijkens de inhoud van artikel 128 van het wetboek van Strafvordering heeft ontdekking op heterdaad plaats wanneer het strafbaar feit wordt ontdekt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is. Blijkens de Memorie van Toelichting bij dit artikel is de ratio van dit artikel dat gedurende de "verse toestand" een reconstructie plaatsvindt die de kans op dwaling zo klein mogelijk maakt. Vindt deze reconstructie plaats "in de verse toestand" zonder onredelijke onderbrekingen dan is de reconstructie betrouwbaar en kan worden volstaan met aanhouding op heterdaad. Op grond van de hiervoor gerelateerde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat daaraan in casu is voldaan, nu binnen het tijdsverloop de onmiddellijk nodige maatregelen zijn getroffen om de dader op te sporen en om bewijsmateriaal te verzamelen, zodat de aanhouding van verdachte rechtmatig is. Het vervolgens verkregen bewijs is mitsdien niet als onrechtmatige vrucht van deze aanhouding aan te merken."

4.3. Uit hetgeen het Hof aldus heeft vastgesteld kan niet anders volgen dan dat de bij de verbalisanten als gevolg van de ontdekking van de cocaïne gerezen verdenking betrekking had op enig misdrijf, bedoeld in art. 2, eerste lid aanhef en onder A en/of C van de Opiumwet. Die vaststelling van het Hof houdt immers in dat de cocaïne vanuit Venezuela op de luchthaven Schiphol en dus binnen het grondgebied van Nederland was gebracht en zich ter doorvoer naar Jordanië nog op die luchthaven bevond. Voorts houdt zij in dat de bij de ontdekking van de cocaïne nog onbekende dader de koffer en daarmee de cocaïne voor doorvoer naar Jordanië had ingeboekt en dus, gelet op art. 1, vierde en vijfde lid, Opiumwet bezig was met het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne. Verder houdt die vaststelling in dat de cocaïne zich in de machtssfeer van de verdachte bevond en hij deze dus aanwezig had. Die misdrijven duurden ten tijde van de aanhouding van de verdachte voort, zodat deze aanhouding plaatsvond terwijl deze strafbare feiten werden begaan en ontdekt. Een en ander vindt bevestiging in het proces-verbaal van 19 juni 2000, dat door het Hof in de aanhef van zijn hiervoor

onder 4.2 weergegeven overweging is vermeld. In dat proces-verbaal is gerelateerd dat de aanhouding werd verricht "op verdenking van overtreding van art. 2 Opiumwet."

Aldus is de aanhouding geschied op de wijze als bedoeld in art. 53, eerste lid, in verband met het eerste lid van art. 128 Sv, zodat het Hof het verweer terecht verworpen heeft (vgl. HR 3 november 1992, NJ 1993, 291).

4.4. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 maart 2002.