Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8906

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
00587/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8906
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 29
Wetboek van Strafvordering 365a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 169
NBSTRAF 2002/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 maart 2002

Strafkamer

nr. 00587/01

AS/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 12 december 2000, nummer 21/000024-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte 1], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in Huis van Bewaring "Karelskamp" te Almelo.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 29 december 1999, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair en 2 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. subsidiair "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep – dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur en de aanvulling op de toelichting bij het tweede middel zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat de verdachten hun verklaringen niet in vrijheid hebben afgelegd ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de door het Hof vastgestelde gang van zaken bij de verhoren van de verdachten moet leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een onrechtmatige verhoormethode.

4.2. Opmerking verdient dat de onderhavige zaak samenhangt met een aantal zaken tegen andere verdachten, dat het Hof deze zaken ter terechtzitting gelijktijdig doch niet gevoegd heeft behandeld en dat het Hof voor het bewijs onder meer gebruik heeft gemaakt van door die andere verdachten bij de politie afgelegde verklaringen.

4.3. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“1. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de in deze strafzaak afgelegde verklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Dit algemene verweer vergt nader onderzoek op verschillende onderdelen.

1.1 Betwist is dat verdachten hun verklaringen in vrijheid hebben afgelegd. De uitgeoefende druk zou in de weg staan aan de betrouwbaarheid van het door verdachten verklaarde.

Het hof heeft waargenomen dat het verzoek om medische hulp niet (direct) is gehonoreerd en dat verdachten soms langdurig zijn verhoord. Voorts is op een bepaald moment door een verbalisant aan een verdachte gevraagd of men bij elke leugen een vinger mocht afhakken. Tijdens meerdere verhoren hebben verbalisanten op verschillende momenten met stemverheffing gesproken, met de hand op tafel geslagen, zijn zij dicht bij de verdachte gaan zitten of staan en is een verdachte benaderd door een arm om hem heen te leggen.

Tenslotte staat vast dat tijdens één verhoor door een verbalisant is gezegd dat de politie ervoor kan zorgen dat de verdachte twintig jaren krijgt opgelegd alsmede dat het mogelijk is om verdachtes gezichtsprofiel te laten passen in de in het dossier aanwezige compositietekening.

Het hof is van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden niet structureel hebben plaatsgevonden. Het geringe aantal momenten dat van een zekere druk sprake was weegt niet op tegen de grote hoeveelheid uren die de verdachten zijn verhoord. Het hof merkt de incidentele uitlatingen, waaraan de verdediging refereert, niet aan als ernstig maar plaatst deze in de context van het gebruikelijke verhoor in een zware strafzaak op grond waarvan een zekere verbale en non-verbale druk toelaatbaar is en gericht op het verkrijgen van een in vrijheid afgelegde verklaring. Van de politieverhoren kan niet worden gezegd dat er een ontoelaatbare druk op verdachten uitging die hun verklaringsvrijheid op onaanvaardbare wijze heeft geschonden.

Kennisgenomen hebbend van vele - audiovisueel vastgelegde - politieverhoren stelt het hof vast dat de verhoren veeleer worden gekenmerkt door een rustig verloop van het gesprek en bijbehorende opstelling van verbalisanten en verdachten dan door een intimiderend en bedreigende gang van zaken. Het hof is voorts van oordeel dat het - al dan niet tijdelijk - weigeren van medische zorg gelegen is in de pleitbare inschatting van verbalisanten dat nog geen directe zorg was geboden danwel dat medische zorg aanstaande was.

Voormelde uitlatingen van verbalisanten die betrekking hebben op het ervoor zorgen dat de verdachte twintig jaren krijgt opgelegd en dat diens profiel kan worden ingepast in de compositietekening zijn naar het oordeel van het hof wellicht minder professioneel maar zijn binnen de context van de andere verhoormomenten als incidenteel en niet onrechtmatig aan te merken.”

4.4. Het middel is terecht voorgesteld voorzover het erover klaagt dat het Hof niet als onrechtmatig heeft aangemerkt dat tijdens één verhoor door een verbalisant is gezegd dat de politie ervoor kan zorgen dat de verdachte twintig jaren krijgt opgelegd, alsmede dat het mogelijk is om verdachtes gezichtsprofiel te laten passen in de in het dossier aanwezige compositietekening, omdat deze mededelingen naar hun aard de strekking hebben een verklaring van de verdachte te verkrijgen waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd.

Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden, in aanmerking genomen dat het Hof genoemde mededelingen als incidenteel heeft aangemerkt en bij de beoordeling van het verweer – dat in algemene termen is gesteld en niet is toegespitst op bepaalde, met name genoemde verklaringen – de vele verhoren in zijn totaliteit heeft beschouwd en tot de slotsom is gekomen dat die verhoren veeleer werden gekenmerkt door een rustig verloop van het gesprek en bijbehorende opstelling van de verbalisanten dan door een intimiderende en bedreigende gang van zaken terwijl in het oordeel van het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk ligt besloten dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen niet zijn afgelegd als direct gevolg van deze mededelingen.

5. Beoordeling van het vijfde middel

5.1. Het middel klaagt erover dat het Hof tot het bewijs heeft gebezigd de ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2000 afgelegde verklaring van de getuige K. Pehlivan, terwijl het proces-verbaal van die zitting deze verklaring niet bevat. Hieraan wordt de conclusie verbonden dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

5.2. In de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het Hof als bewijsmiddel 16 de in het middel bedoelde verklaring opgenomen. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2000 komt deze verklaring niet voor, zodat het er voor moet worden gehouden dat dit bewijsmiddel als gevolg van een misslag in de aanvulling is opgenomen en – anders dan de op hetzelfde voorval betrekking hebbende bewijsmiddel 33 – niet aan ’s Hofs bewijsbeslissing ten grondslag ligt. De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak met verbetering van die misslag zodat het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderwor-pen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 12 maart 2002.