Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8813

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2002
Datum publicatie
11-02-2002
Zaaknummer
1328
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8813
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 562 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
RvdW 2002, 45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1328

1 februari 2002

JV

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Railinfrabeheer B.V. (voorheen NS Railinfrabeheer B.V.),

gevestigd te Utrecht,

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. NS Railinfrabeheer B.V., hierna: NSR, heeft bij exploten van 16 en 21 augustus 2000 [betrokkene 1], [betrokkene 3] (op de voet van artikel 20 van de Onteigeningswet benoemd als derde tegen wie voor de op

4 september 1992 overleden [betrokkene 6] het onteigeningsgeding gevoerd kan worden), [betrokkene 2] en [betrokkene 4], hierna tezamen ook: [betrokkenen], doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam en ten behoeve van de aanleg van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de Betuweroute en de Kortsluitroute, met bijkomende werken, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten algemene nutte en ten name van NSR van een viertal in de dagvaarding nader omschreven gedeelten van onroerende zaken met de kadastrale aanduidingen gemeente Charlois [1] en [2], waarvan [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 6] bij Koninklijk Besluit van 3 juni 1999, nr. 99.002484 (Stcrt. 140) zijn aangewezen als eigenaar, en de bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling. Omdat de te onteigenen perceelsgedeelten op 1 april 1999 aan eiser tot cassatie, hierna [eiser], zijn overgedragen, is in de, bij exploot van 23 augustus 2000 aan [eiser] betekende, dagvaarding aan [eiser] het aanbod gedaan de te onteigenen gedeelten van perceel [1] over te nemen voor f 182.960 en de te onteigenen gedeelten van perceel [2] voor f 19.350.

1.2. Nadat bij vonnis van 12 oktober 2000 [eiser] als tussenkomende partij was toegelaten, heeft de Rechtbank bij het thans bestreden vonnis van 15 februari 2001 de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, de schadeloosstelling voor [betrokkenen] vastgesteld op nihil, en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] bepaald op f 164.664 voor de te onteigenen perceelsgedeelten [1] en op f 17.415 voor de te onteigenen perceelsgedeelten [2] (zijnde telkens

90 percent van het aan [eiser] gedane aanbod), en drie deskundigen - ter begroting van de aan [eiser] toekomende schadeloosstellingen - en een rechter-commissaris benoemd. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. [eiser] heeft het vonnis bestreden met een uit twee onderdelen bestaand middel van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. NSR heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, behalve voorzover het tweede middelonderdeel erover klaagt dat [eiser] geen afstand heeft gedaan van zijn recht op zekerheid, ten aanzien van welke klacht NSR zich aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd.

2.3. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun advocaten. [eiser] heeft gerepliceerd.

2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op

14 september 2001 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank van 15 februari 2001, voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] is bepaald op f 164.664 voor de te onteigenen perceelsgedeelten [1] en op f 17.415 voor de te onteigenen perceelsgedeelten [2] en tot bepaling van die bedragen op onderscheidenlijk f 182.960 en f 19.350.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In het eerste middelonderdeel betoogt [eiser] dat de Rechtbank de inleidende dagvaarding op de voet van het bepaalde in artikel 22 van de Onteigeningswet nietig had moeten verklaren, omdat die dagvaarding geen vermelding inhoudt van de som die als schadeloosstelling wordt aangeboden aan de gedaagden in eerste aanleg, [betrokkenen], de als zodanig in het koninklijk besluit aangeduide eigenaren van de te onteigenen perceelsgedeelten. Voorts had de Rechtbank bij het ontbreken van een aanvaard aanbod, in plaats van zich te begeven in de vraag of aan [betrokkenen] een schadeloosstelling toekwam en deze vervolgens op nihil vast te stellen, op de voet van het bepaalde in artikel 27, lid 1, (kennelijk is bedoeld artikel 54j, lid 1) van de Onteigeningswet deskundigen moeten benoemen teneinde de onder meer aan hen toekomende schadeloosstellingen te begroten.

3.2. Het onderdeel faalt. Indien, zoals hier het geval is, de bij het koninklijk besluit aangewezen eigenaren de te onteigenen percelen vóór de aanvang van het onteigeningsgeding hebben overgedragen, verzet geen rechtsregel zich ertegen dat het aanbod niet mede aan de gedaagden wordt gedaan, van wie immers kan worden aangenomen dat zij na de overdracht door de onteigening geen schade zullen lijden, maar uitsluitend aan degene die inmiddels eigenaar is geworden van de te onteigenen percelen en derhalve bevoegd om daarover na eventuele aanvaarding van het aanbod te beschikken. De Rechtbank was derhalve niet verplicht de inleidende dagvaarding nietig te verklaren.

3.3. Ook was de Rechtbank niet verplicht een deskundigenbericht omtrent een aan [betrokkenen] toe te kennen schadeloosstelling in te winnen en kon de Rechtbank bij het bestreden vonnis de aan de voormalige eigenaren toekomende schadeloosstelling op nihil bepalen, zulks te meer omdat [betrokkenen] zich bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak onder erkenning van de overdracht aan [eiser] aan het oordeel van de Rechtbank hadden gerefereerd ten aanzien van de gevorderde onteigening en daarbij slechts hebben gerept over een vergoeding van de proceskosten.

3.4. Het tweede onderdeel van het middel richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn recht zekerheid te vragen voor het verschil tussen de aanbiedingen en de voorschotten. Deze klacht wordt terecht voorgesteld, omdat de Rechtbank klaarblijkelijk over het hoofd heeft gezien dat [eiser] de bedoelde afstand heeft gedaan onder de - blijkens de gedingstukken niet vervulde - voorwaarde dat de gehele door NSR aangeboden bedragen hem bij wijze van voorschot zouden worden betaald.

3.5. Het tweede onderdeel van het middel slaagt derhalve. De Hoge Raad kan de gemaakte vergissing herstellen door, met vernietiging van het vonnis in zoverre, de voorschotten op de aan [eiser] toe te kennen schadeloosstellingen vast te stellen op 100 percent van de door NSR aangeboden bedragen, nu NSR zich tot betaling daarvan bij conclusie van antwoord in cassatie bereid heeft verklaard.

4. Beslissing

De Hoge Raad

-vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 februari 2001, doch uitsluitend voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] is bepaald op f 164.664, voor de te onteigenen perceelsgedeelten [1] en op f 17.415 voor de te onteigenen perceelsgedeelten [2], -bepaalt die bedragen op onderscheidenlijk f 182.960 (€ 83.023,63) en f 19.350 (€ 8.780,65),

-verwerpt het beroep voor het overige,

-veroordeelt NSR in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op € 328,02 aan verschotten en op € 1590 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst, L. Monné, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2002.