Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8808

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
13-03-2002
Zaaknummer
00345/01 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8808
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 24
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 167
NJ 2002, 396 met annotatie van T.M. Schalken
NBSTRAF 2002/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 maart 2002

Strafkamer

nr. 00345/01 E

AG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 14 november 2000, parketnummer 20/002544-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 10 juni 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding met betrekking tot de vreemdeling [betrokkene A] tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen, twaalf maal gepleegd" veroordeeld tot twaalf maal een geldboete van telkens vijfduizend gulden, subsidiair telkens vijftig dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof teneinde ten aanzien van de strafoplegging opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het middel voert daartoe aan dat het Hof een onjuist uitgangspunt heeft genomen “bij de bepaling van de draagkracht” van de verdachte.

3.2. In eerste instantie zijn aan de verdachte geldboeten opgelegd tot in totaal f. 65.000,-.

3.3. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota is aldaar door de raadsman – voorzover thans van belang - het volgende verweer gevoerd:

“[verdachte] kan evenwel de hoogte van de hem opgelegde straf niet begrijpen.

a. Cliënt had van collega sexclub exploitanten die voor de Rechtbank moesten verschijnen begrepen dat straffen worden geëist van fl. 2.000,- per aanwezig meisje (...) en waarvan nog een gedeelte voorwaardelijk. Dat was voor cliënt reden om ook geen raadsman in te schakelen (...)

Cliënt is niet in staat de hem opgelegde geldboete te betalen. Cliënt heeft zijn activiteiten in de sexbranche volledig gestaakt.

Voor de Rechtbank te Roermond speelt op dit moment een omvangrijke zaak naar vrouwenhandel (...) Cliënt is ook in die zaak verdachte (...)

Cliënt is nog niet gedagvaard en wenst de zaak met het Openbaar Ministerie te transigeren. Het Openbaar Ministerie heeft wel op alle relevante vermogensbestanddelen van cliënt beslag gelegd. Deze laatste omstandigheid maakt het betalen van een relevante geldboete onmogelijk (...)

Gelet op de bestaande richtlijn, de omstandigheden van deze zaak, het tijdsverloop, alsmede de persoonlijke omstandigheden van cliënt verzoekt de verdedi-ging een geldboete op te leggen van fl. 2.000,- per zaak waarvan de helft voorwaardelijk.”

3.4. Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in als verklaring van de verdachte dat hij uit de verhuur van twee hem toebehorende panden f. 5.500,- per maand ontvangt, en als opmerking van de raadsman dat het Openbaar Ministerie ook beslag heeft laten leggen op die twee panden.

3.5. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof is van oordeel dat het algemeen bekend is dat aan het inzetten van vreemdelingen in de prostitutie veel geld wordt verdiend. Wil er van een op te leggen geldboete enige preventieve werking uitgaan, dan dient deze van een - gelet op die verdiensten - passende hoogte te zijn.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboeten heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij thans geen geldboeten kan betalen omdat er nog een ontnemingszaak loopt tegen hem en er beslag is gelegd op zijn huurpanden, doch het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk is geworden dat hij onvoldoende draagkracht heeft om geldboeten als hierna vermeld te betalen.”

3.6. Aldus heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte in weerwil van het terzake gevoerde verweer in staat moet worden geacht de desbetreffende geldboeten te betalen, in aanmerking genomen hetgeen het Hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de draagkracht van de verdachte heeft vastgesteld.

Dat oordeel is feitelijk en ook in het licht van het gevoerde verweer niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen:

a) dat in het verweer is gesteld dat de verdachte niet in staat is een “relevante geldboete” te betalen, zonder dat gespecificeerd is aangegeven welke inkomsten de verdachte heeft na het beëindigen van zijn werkzaamheden in de

seksbranche (behoudens de inkomsten uit de verhuur van genoemde panden) en dat is aangevoerd dat de verdachte ernaar streeft een schikking met het Openbaar Ministerie te treffen in de genoemde nieuwe zaak betrekking hebbende op vrouwenhandel;

b) dat de enkele omstandigheid dat op “alle relevante vermogensbestanddelen” door het Openbaar Ministerie - kennelijk conservatoir - beslag is gelegd niet betekent dat die bestanddelen niet meer tot het vermogen van de verdachte behoren en het feit dat (ook) op meergenoemde panden beslag zou zijn gelegd er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de verdachte genoemde huurpenningen geniet, terwijl

c) in een eventuele toekomstige strafzaak rekening dient te worden gehouden met de dan bestaande draagkracht van de verdachte, die mede zal zijn beïnvloed door de in deze zaak opgelegde geldboeten.

3.7. Het Hof heeft de strafoplegging dus toereikend gemotiveerd. Voorzover het middel stelt dat het Hof bij het bepalen van de draagkracht ten onrechte ervan is uit-gegaan dat alleen beslag was gelegd op meergenoemde panden, berust het op een verkeerde lezing van ’s Hofs arrest. In ’s Hofs overweging omtrent de gestelde ontnemingszaak tegen de verdachte, ligt besloten dat het Hof mede acht heeft geslagen op hetgeen bij het verweer is aangevoerd omtrent de in het kader van die zaak “op alle relevante vermogensbestanddelen” gelegde beslagen.

3.8. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 maart 2002.