Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8801

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
00300/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8801
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 182
NBSTRAF 2002/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 maart 2002

Strafkamer

nr. 00300/01

AG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 juni 2000, nummer 22/000999-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Kaapverdische Eilanden) op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 29 januari 1999 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van valsheid in geschrift" en 2. "opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft veroordeeld ter zake van het onder 2 tenlastegelegde opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, nu hij tevens is veroordeeld voor het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van dat misdrijf.

3.2. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, in

(1) dat de verdachte op 6 oktober 1994 tezamen en in vereniging met zijn echtgenote een rechtsmatigheidsonderzoekformulier Algemene Bijstandswet (ABW) betreffende de periode van 1 september 1994 tot en met 30 september 1994 valselijk heeft opgemaakt door als antwoord op de vragen "Bent u of is uw partner gaan werken?" en/of "Heeft u of uw partner deze periode inkomsten ontvangen?" "nee"/niets in te vullen, en

(2) dat de verdachte meermalen in de periode van 5 november 1991 tot en met 31 maart 1995 telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de aan zijn echtgenote verstrekte uitkering ingevolge de ABW welke was verkregen doordat zij valsheid in geschrift had gepleegd ten aanzien van heronderzoekformulieren ABW/RWW en/of rechtmatigheidsonderzoekformulieren ABW, ter uitvoering van de (oude) ABW.

3.3. In de bewoordingen van art. 416, tweede lid, Sr valt niet te lezen dat hij die uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed opzettelijk voordeel trekt, slechts dan kan worden gestraft indien bedoeld misdrijf door een ander is gepleegd. Maar op grond van de plaatsing van deze bepaling in de titel betreffende de begunstigingsmisdrijven moet worden aangenomen dat zij zich niet uitstrekt tot het geval dat iemand voordeel trekt uit enig goed dat is verkregen uit een misdrijf dat door hemzelf is begaan, waaronder begrepen het medeplegen van dat misdrijf.

3.4. In de bestreden uitspraak ligt als oordeel van het Hof besloten dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat het onder (2) bedoelde - door de verdachte getrokken - voordeel is verkregen uit de opbrengst van enig door het onder (1) bedoelde misdrijf verkregen goed. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat bewezen is verklaard dat bedoeld voordeel meermalen is getrokken uit de uitkering die gedurende een reeks van jaren aan verdachtes echtgenote was verstrekt op grond van door haar valselijk ingevulde formulieren, en dat het onder (1) bewezenverklaarde medeplegen van valsheid in geschrifte betrekking heeft op slechts één formulier betreffende één maand uit die gehele periode.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het tweede, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 maart 2002.