Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8545

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
36886
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8545
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 79
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/201
NTFR 2002, 821 met annotatie van Van Es
FED 2002/357
BNB 2002/286
WFR 2002/902, 3
V-N 2002/29.8

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 36.886

7 juni 2002

EC

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 februari 2001, nr. 98/03594, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 43.800, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak bij een op 23 juli 1998 door het Hof ontvangen beroepschrift beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de bestreden uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal L.F. van Kalmthout heeft op 11 december 2001 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Blijkens de gedingstukken heeft belanghebbende voor het Hof aangevoerd dat hij bij de berekening van de in zijn aangifte voor het onderhavige jaar (1996) begrepen winst uit onderneming willekeurige afschrijving heeft toegepast op in de jaren 1994 en 1995 gedane investeringen, en dat zulks heeft geleid tot een correctie door de Inspecteur. In zijn vertoogschrift heeft de Inspecteur deze gang van zaken bevestigd.

Belanghebbende heeft voor het Hof, in de pleitnota van zijn gemachtigde, onder het hoofd "Rechtsvraag" vermeld dat het geschilpunt dat hem en de belastingdienst verdeeld houdt, betreft de vraag of het in aanmerking nemen van de willekeurige afschrijving zoals in casu toegepast in strijd is met de regeling voor willekeurige afschrijving, in het bijzonder artikel 2, lid 2, van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving (hierna: de Uitvoeringsregeling). De Inspecteur heeft in zijn vertoogschrift voor het Hof onder het hoofd "Geschilpunten" vermeld dat in geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in 1996 willekeurig mag afschrijven op investeringen die zijn gepleegd in jaren vóór 1996, in casu in 1994 en 1995. Het standpunt van de Inspecteur luidde dat artikel 17 van de Uitvoeringsregeling aan zodanige afschrijving in de weg staat.

3.2. Het Hof heeft, zonder in zijn uitspraak eerst feiten te hebben vermeld en zonder vooraf het tussen partijen bestaande geschil te hebben omschreven, onder het hoofd "De gronden voor de beslissing" overwogen dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2000, nr. 35849, V-N 2000/52.7. (BNB 2001/26) het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur en dat voor dit geval niet in geschil is dat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

3.3. Daarbij maakt 's Hofs uitspraak niet duidelijk wat het gelijk van de Inspecteur inhoudt, nu enige omschrijving van of verwijzing naar de vaststaande feiten en de standpunten van partijen in de uitspraak ontbreekt. In zoverre is de uitspraak niet naar de eis van artikel 17, lid 1, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken met redenen omkleed. Deze gebreken in de uitspraak van het Hof verhinderen in het onderhavige geval echter niet dat de Hoge Raad kan onderzoeken of het Hof de uitspraak van de Inspecteur terecht heeft bevestigd.

3.4 Wat belanghebbende en de Inspecteur verdeeld houdt is immers een zuivere rechtsvraag, en wel de vraag of - zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist - de sedert 1 januari 1996 geldende regel van artikel 2, lid 2, van de Uitvoeringsregeling mogelijk maakt dat in 1996 op de voet van artikel 10, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1996, hierna: de Wet) juncto artikel 2, lid 2, van de Uitvoeringsregeling, willekeurig wordt afgeschreven ten aanzien van investeringen die gedaan zijn in 1994 en 1995. Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Afschrijving op bedrijfsmiddelen geschiedt ingevolge artikel 10a, lid 1, van de Wet naar de regels die zijn gesteld voor het tijdvak waarin, kort gezegd, de investering is gedaan. De sedert 1 januari 1996 voor startende ondernemers geldende mogelijkheid van willekeurige afschrijving bestaat dus niet ten aanzien van investeringen die voordien zijn gedaan. De beslissing van het Hof dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is, is derhalve juist. De klachten kunnen niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2002.